Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigen geest, hij bezat ook een goed hart. Eerst toén ik hall ontwaakte, gaf hij een andere houding aan zijn arm, die verstijfd was, maar toen bleef hij weer onbeweeglijk en fluisterde mij toe:

— Slaap maar, mijn jongen, ik heb u goed vast; slaap gerust door.

En ik sliep door zonder vrees, want ik gevoelde wel, dat hij mij niet los zou laten. De tijd ging voort en altijd hoorden wij het neerploffen en ophalen der tonnen.

DE REDDING. XXVII.

"Wij konden het bijna op die nieuwe trap niet langer uithouden; wij besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen, op die wijs verkregen, weg te ruimen.

Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid ook veel gemakkelijker en eindelijk gelukte het ons diep genoeg in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk te verwijden.

Het gaf ons een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte honden uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten.

Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen, was hét toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds gegeven om weer tot ons zelf te komen. "Want toen de meester het ons gaf, was het licht tebegrijpen, — te oordeelen naar den blik, dien de houwers er op wierpen — dat zij een tweede verdeeling niet dulden zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf, zelf hun deel te nemen.

Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen elkander zeiden, en zoo spraakzaam, als wij in het begin van onze gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde.

Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden om tot ons door te dringen en hoe lang wij opgesloten zouden blijven.

Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd als in het begin; als een van ons iets zei, dan werd daarop dikwijls geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken, of ons tot eenige gedachtenwissehng aanleiding gaf. — Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord.

Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich, hiervan eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou dat oogenblik aanbreken? Ik voor mij begon er aan te twijfelen.

Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich een opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij^van twijfel waren.

— Eén troost is het, zei Borgounhoux, dat, als ik hier mocht blijven, d*e maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen

Ongetwijfeld had de meester, toen hij ziin waardigheid van bevelhebber op zich nam, bij zich zelf besloten, ons niet alleen te beschermen voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons ook tegen ons zeiven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.

— Gij zult hier evenmin blijven als wij;'de tonnen werken, het water daalt.

— Waar daalt het? — In de putten.

— En in de gang? — Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.

— Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de tegenwoordigheid van geest, en de gevatheid, die alles kenmerkte, wat hij deed, — als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester, dan heeft uw vrouw niets.

— wilt gij wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.

— Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water staat, niet meer. In'elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats van hier, wel zoo in mijn schik zijn. — Omdat ?

Sluiten