Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet zich met hem bemoeien. — Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn Terdiende loon.

— Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander toe en lieten wij den ongelukkige op ^en grond aan zijn lot over.

Verscheidene •uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid liggen, J zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende: — ik heb berouw. Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe:

— Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen.

Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden, kermde | hij: — Ik heb berouw, oprecht berouw.

Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele lichaam, I terwijl hij klappertandde. — Ik heb dorst, zei hij, geef mii den schoen. ^ |

Er was geen water mêer in den schoen; ik stond op om dit vóór hem te ha- ; len; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet doen mocht en I ook oom Gaspard hield mij ervan terug.

— Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten

Eenige oogenbhkken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag, dat wij hem dit niet wilden geven^ richtte hij zich ojj, om het zelf te halen

— Hij sleept de steenkolendam mee! riep Pagès.

— Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester.

Hij had gezien dat ik mq langs den rug naar beneden had laten glijden en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik vlug eri behendig, en hij een log wezen. Nauwelijks lag hij dan ook op zijn rug, of de I steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich een oogenblik tegen te kun- • nen houden, verdween hij in den donkeren afgrond. Het water plaste ons in liet gelaat, maar kabbelde een minuut later weder rustig voort. Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk bij een arm terug.

— Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit komen 1 Bevende van schrik, wierp ik mij, achterover; ik was ijskoud, bijna halfdood

van angst.

— Hij was geen braaf man, zei oom Gaspard.

De meester sprak niet, maar mompelde een oogenbhk later:

— In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden.

Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een poos had ; nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zei.

— Iets onbillnTks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over.

— Wat bedoelt gij? — Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inadem- I den, knnnen wij niet voor de tweede maal gebruiken-, toen ik hem zag verdwijnen, zei ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen, en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben

— Kom, kom, zei oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt.

— Nu zal alles goedgaan, zei Pagès, terwijl hij met beide voeten tegen den wand schopte. Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan I was het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze red-1 ding werkten. Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden gearbeid. Maar het was een moeilijk werk. De steenkolen, waardoor men een gang moest maken, waren zeer hard en daar maar één houwer m de nauwe gang kon werken, was men genoodzaakt hem telkens te vervangen, i vooral daar allen om strijd aan de redding wilden arbeiden

Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men had van* afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator de lucht door die piipenf joeg, brandden de lampen niet dan in de onmiddellijke nabijheid van de_ope- ; ning. Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat* wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder ge-| wone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben om» tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen, welke men ter! beschikking had en den Ijver, waarmede men arbeidde, was dit zeer weinig. $

Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur, om

aezen aroeia voorr xe zeueii, w*m -vuigciia un rom>aiiB 6.-. -~ —*~

Sluiten