Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tan de zijgang naar de ladders te komen, bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was, de gangen in elkaar liepen. Ik moest mij dus niet door de duisternis laten misleiden want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn.

Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen bereiken zou.

Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voelen op den grond en als ik dan een rail voelde, liet ik mij weer langzaam boven komen. De rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus onmogelijk verdwalen.

Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte, gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus weer het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden gered worden. Dat schonk mij kracht.

Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn voet deed. Toen ik dit weer beproefde en haar niet met mijn voet vinden kon, dook ik geheel onder cm er met mijn hand naar te zoeken, maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere,_maar vond niets.

Had ik mij bedrogen?

Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw, als een Zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder adem gehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste maal. Geen rails.

Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest dus omkeeren. Maar hoe? Mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde was, ik kon ze niet meer hooren.

Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd en een diepe smart overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond, onder dien zwarten steenklomp en in dat ijskoude water. Maar eensklaps drong weer het geluid van stemmen tot mij door en ik wist daardoor, in welke richting ik mij bewegen moest.

Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en raakte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet; ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte ik altijd tegen den müur. Waar lag de rail? Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op. Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed van het water en dat ik mijn gids verloren had.

Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug te keeren.

Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang te bereiken; de stemmen leidden mij. Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten verzameld hadden. Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook.

— Kom, kom spoedig, riep de meester.

— Ik heb de schacht niet gevonden.

— Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spieken.

Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen waren werkelijk veel harder; de stemmen van hen, die tot onze bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk. Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik, dat ik half bevroren was, en daar er geen warme kleeren waren om mij af te drogen, begroef men mij tot het hoofd onder de steenkolen, die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik vjrdwaald was geraakt.

— Hebt gij durven duiken?

— Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.

Maar zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe; want, al

Sluiten