Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonderling hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde, hoe zwakV. w^ k m-J" krach,en waren «i'gepu» en onder de «teenkolen begraL£ r"? met m s1taa'mun arm OP te tfflen; ik beefde over miin gan¬

sche lichaam, zonder het koud te hebben. * *

Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht der lampen.

Maar onmiddellijk was alles om ons weer in het duister gehuld; de tocht een vreeselnke tocht, een windvlaag, die verscheidene stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat.

- Dat komt van den tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig weer aansteken. Hebt slechts even geduld. - Wachten! Alweer wachten'

Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk geraas, en toen ik mij omkeerde, zag ik dat een helder licht zich over het water verspreidde. — Moed! Moed! riep men ons toe.

En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste trede bevohden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij

De mgemeur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord had kunnen uiten,

Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer.

Toch besefte ik, dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buitep de gang waren, men mij in dekens wikkelde. Ik sloot de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind, zoodat ik genoodzaakt was ze weder te openen

Het was dag, wij' bevonden ons in de open lucht.

Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op m3: het was Capi die met één sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn gelaat lekte Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die kuste. Rémi — fluisterde een stem, — net was Mattia. Ik wierp een blik om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke memgte, die zich in twee rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte een diepe stilte onder de memgte, want men had ieder gewaarschuwd ons door tranen noch klachten nieuwe 'aandoeningen te bezorgen; maar de houding en de blikken van allen spraken meer "dan de stomme lippen.

In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses, die zich naar 'den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze bevrijding te bidden.

Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende veertien dagen was de bodem die door stortregens door-en-door nat was geworden, gedroogd.

Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur wilde mij niet afstaan en trotsch op zijn overwinning, gelukkig en fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid had om ons daarop neer te leggen. Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef stilstaan om ons na te staren.

Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen in de oogen.

Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Dezen waren in rouw gedompeld en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered was geworden, terwijl een huisvader of een zoon zich nog in de mijn bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd.

Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten of naar een koffiehuis gaan. — Gij moet alles eens aan ons vertellen, zelden zij.

Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen, die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen

Ik luisterde bovendien ook liever, dan dat ik zelf vertelde en hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden, wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden.

— Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zei Alexis, dan was het, of mijn armen en beenen afvielen want ik geloofde, dat gij dood waart.

— Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen, om u te redden; maar ik

Sluiten