Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling mij vragen deed, waarop ik geen antwoord wist te geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog.

En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag. — Waarom zet men voor alle muziek niet denzelfden sleutel? — Waarom gebruikt men de kruisen, als men hooger spelen moet en mollen wanneer het lager is? — Waarom heeft de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde tempo? — Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen.

Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een viool mijn instrument niet was en ik nooit de moeite genomen had om te weten, hoe zij wèl of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia had hierop niets weten te antwoorden.

Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen redden, toen hij mij vragen deed over de mollen en de maatverdeeling; dat had geheei betrekking op de muziek in 't algemeen, op de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik en ik was er bijzonder op gesteld beide te behouden.

Als ik dan niet wist wat er op te antwoorden, redde ik mij uit mijn verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen, die, toen ik hem vroeg, wat steenkolen waren, mij op overtuigenden toon antwoordde: „Dat zijn kolen, die men onder de steenen vindt."

Met niet minder zekerheid antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet wist

wat te zeggen: — Dat is zoo, omdat net zoo zijn moet; het is een wet.

Mattia had geen Karakter, aat zien tegen ae wet verzetten zou; mj zag mij dan slechts aan met groote oogen en half-ontsloten mond, wat niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn.

Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen hij mij een dergelijke vraag stelde en inplaats van op zijn „waarom" te antwoorden: „Ik weet niet," zei ik toen met zekere waardigheid: „Omdat het zoo is."

Hij werd toen afgetrokken en in zichzelf gekeerd, en den geheelen dag kon ;k geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was, daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen.

Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen.

— Gij zijt een goed onderwijzer en ik ben ervan overtuigd, dat niemand mij

nllpo wot IV VioK nnorl 7An VipTVhon lriinnpn ftnpn hprfriinpn fnf-Tl

Hij zweeg. — Wat toch?

— Toen zijn er misscnien aingen, aie gij niet weet; aat overitomt uen wijsten ' misschien wel, nietwaar? Als gij mij dan antwoordt: „dat is, omdat het zoo is,"

dan zijn er misschien wel andere redenen, die gij niet zegt, omdat gij ze zelf niet weet. Wanneer gij dan zoo redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, ' als gij wildet, wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen, waarin de regelen voor de muziek staan. B — Daar hebt gij gelijk in.

■j — Nietwaar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken geleerd hebt. ;.. — Een goed meester is meer waard dan het beste boek.

— Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: als gij het I goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen,1 één les ook maar, en ï dan kon hij alles vertellen, wat ik niet weet.

& _ Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen, toen gij 1 alleen waart? — omdat echte meesters_4uur betaald worden en ik wilde die ï som niet van uw geld afnemen.

p- Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester dacht, Ipaaar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden niet bestand. . — Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld is > uw geld, daar gij het, evenals ik, verdient, meer en beter zelfs dan ik; gij kunt zooveel lessen nemen, als gij wilt en ik zal het ook doen.

Ik voegde er toen bij, hem moedig mijn onwetendheid bekennende: . ' — Dan kan ik ook leeren, wat ik niet weet.

De meester, de ware meester, dien wij voor ons wenschten, was geen ketellapper uit een of ander dorp, maar een artist, een groot kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt. Op de kaart zag ik, dat vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen weg lag, Mende heette. Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad? Dat wist ik niet, maar,

Sluiten