Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn lotgevallen Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère Begraven was geweest, viel hij mij in de rede, en op veel zachteren, bijna vriendehjken toon vroeg hij:

— Wie van u beiden is Rémi? — Die ben ik, mijnheer.

— Hoe bewijst gij mij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme mij gezegd heeft. — Neen, die heb ik niet. 'Mrv ..' , . T1

— Vertel mij dan eens, hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is gegaan Ut heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij de wezenlijke Remi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister; pas dus goed op.

De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed; ik zag duidelijk,, dat hij ons niet vijandig gezind was. Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou stellen- maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken, het hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen, om te zien of onze twee verhalen overeenstemden. .

Geruimen tijd bleef ik aan mijn eigen overdenkingen overgelaten; eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia.

— Ik zal inlichtingen inwinnen te Ussel, zei hij, en als die, zooals ik hoop, bevestigen, wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in vrijheid stellen.

— En onze koe? vroeg Mattia. — Die krijgt ge dan terug.

— Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven en melken? — Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje.

Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld.

— Als men onze koe melkt, zei hij met een glimlach, zou men ons dan de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten.

Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mama de twee gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik m de gevangenis was- vrouw Barberin leefde en Rarberin zelf was te Parijs. i *

— De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden, zei Mattia.

En in zijn vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijn twee handen, door zijn vroolijkheid meegesleept, en Capi die tot hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijn achterpooten tusschen ons beiden instaan. Toen begonnen wij zoo lustig en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd — waarschijnlijk om zijn uien — en kwam zien, wat wij uitvoerden.

Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw, als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam.

Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen; want weldra kwam hij terug met een groote terrine vol melk — melk van onze koe! Maar dat was nóg niet alles; hij gaf ons ook een groot stuk wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zei, van den vrederechter kwam.

Nooit werden gevangenen zoo-goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit had voorgesteld.

Dat was ook het oordeel van Mattia. .

— Eten en slapen zonder dat het iets kost, zei hij; dat is een buitenkansje. Ik wilde hem bang maken en zei:

— Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan vóór ons getuigen? — Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet.

VROUW BARBERIN. XXX.

Onze nacht op een kermisbed was niet al te slecht; we hadden er wel slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.

— Ik heb gedroomd, dat onze koe haar intocht hield, zei Mattia, toen hij ontwaakte. — Ik ook.

Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter nn-

Sluiten