Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in vrijheid had willen stellen. Wat den vrederechter betreft, zijn belangstelling voor twee onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met een zegel er op. •

— Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dar gij zoo maar op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden bewaren. Goede reis, jongens!

Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens recht hartelijk. Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en stapten voort met opgeheven hoofd; met fiere blikken de dorpelingen aanziende, die zich voor hun woning vertoonden.

— Eén ding spijt mij maar, zei Mattia: dat wij den gendarme niet tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.

— De gendarme bad ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen wij geloofden, dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben te wachten. |

— Omdat wij met heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is 'men nog niet heelemaal ongelukkig. — Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn

Wij hadden een te goede les gehad om weer het touw van onze toe los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook geducht schichtig.

Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts een vlakte door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje Chavanon ligt.

Toen ik de straat doorging van het, dorp, juist vóór het huis, waar Zerbino een korst brood had gestolen kwam er een gedachte bij mij op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.

— Je weet wel, dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.

— Dat zal dan wel lekker smaken.

— Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat zoudt ge er van denken, als Wij dat eens voor haar medebrachten?

— Dat is een voortreffelijk idee.

— Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen Wat de eieren betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen; wij zouden ze maar breken onderweg.

Ik irad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de reis voort. Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde. Nog tien mijlen! nog acht; nog zes! zonderling; de weg naar vrouw Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde.

Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, elk oogenblik keek ik op mijn horloge. — Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia.

— Ten minste de boomen beletten het uitzicht niet.

— Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult ge een menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen.

— Met kastanjes er aan?

— Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien.

En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult gij zien. Voor mezelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar hadden mijn oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij lief gehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijn eerste jeugd werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op mijn zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. -

Sluiten