Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in vrijheid had willen stellen. Wat den vrederechter betreft, zijn belangstelling voor twee onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met een zegel er op. •

— Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dar gij zoo maar op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden bewaren. Goede reis, jongens!

Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens recht hartelijk. Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en stapten voort met opgeheven hoofd; met fiere blikken de dorpelingen aanziende, die zich voor hun woning vertoonden.

— Eén ding spijt mij maar, zei Mattia: dat wij den gendarme niet tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.

— De gendarme bad ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen wij geloofden, dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben te wachten. |

— Omdat wij met heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is 'men nog niet heelemaal ongelukkig. — Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn

Wij hadden een te goede les gehad om weer het touw van onze toe los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook geducht schichtig.

Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht met Vitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts een vlakte door te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpje Chavanon ligt.

Toen ik de straat doorging van het, dorp, juist vóór het huis, waar Zerbino een korst brood had gestolen kwam er een gedachte bij mij op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.

— Je weet wel, dat ik