Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ken verrassing, nernaaiae zn. een verrassing

goed was voor naar Kleinen Jttemi, net veriaten Kina; toen nen ik eens nagedacht, wat u van het meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende, dat een koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben.

— Och, die goede jongenl Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit, terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte.

Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens zou helHiVpn Hip nu haar Tfnp was. Bii alles wat zii aan de koe voor eoeds ont-

— Wat een mooie Koe. JiensKiaps stona zij stu en vroeg, terwijl zij mij aanzag:

— Maar dan ben je rijk geworden?

— Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia; wij hebben nog drie francs. En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenig'szins gewijzigd:

— Die goede jongens!

Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht, en ons in haar hart vereenigde. — Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.

— Zij wil gemolken worden, zei Mattia.

Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijn gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was, sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wasschen, die vol stof waren.

"Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart gevuld zag met prachtige schuimende melk.

— Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zei ze.

— En wat lekkere melk, zei Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.

Vrouw Rarberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen, wat oranjebloesem was. — Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men ziek is, zei Mattia, die graag vertelde, wat hij wist.

Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde, onze boter en bloem midden op de tafel had gezet. Toen vrouw Barberin de nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik. dat het maar beter was openhartig te zijn en ik viel baar in de rede:

— Dat is eigenlijk even goed voor ons als voor u; wij hebben allebei een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was. onze wafels niet klaar kwa¬

men en üe ooter, aie u ervoor geieena naa, aienae om uien in ae pan te Danken; dezen keer zullen wij niet gestoord worden.

— Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij. — Ja.

— En weet je ook, wat hij te Parijs is gaan doen? — Neen.

— Het heeft betrekking op jou. — Op mij? vroeg i1r. verschrikt.

Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij, dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen. v

— O, u kunt gerust spreken, waar Mattia bij is, zei ik; ik heb u verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook hem ter harte.

— 't Is nog al lang om te vertellen, zei ze.

Ik bespeurde, dat zij er tegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo zij weigerde, dat hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te wachten tot een geschikter oogenblik. om te vernemen, wat Barberin fe Parijs was gaan doen.

— Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik. — O, zeker niet.

— Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken praten; later hoor ik dan wel eens van u, wat er voor mij aan die Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijn uien niet in onze koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt ge eieren?

— Neen, ik houd geen kippen meer.

— Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren, dat zij onderweg zouden breken. Kunt ge ze ergens leenen? Die vraag bracht haar ki verlegenheid en ik begreep, dat zij bij niemand meer durfde aankloppen.

Sluiten