Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zei ik en in dien tusschen-1 tijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia, dat hij het hout klooft, dat kan hij best.

Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek.

Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd, 't Is waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen.

— Maar Vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht, dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde, zou hij zeker wel aan Zijn moeder Barberin iets hebben doen weten.

— Die moeder Barberin was niet alleen, bij haar woonde een vader Barberin, die heer des huizes was en die ook getoond heeft dat te zijn, door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen.

— Daar moet ge met meer van spreken, beste Rémi.

— Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen "om u te doen begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weer zou verkoopen, als hij ontdekte, waar ik was, en ik wüde niet verkocht worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden meester verloor, die een goed man was. — Ach, is hij dood, die oude muzikant?

— Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't oogenblik en in staat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden, die mij in huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zon men mii komen halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik wüde het een zoo min als het ander.

— Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen.

— Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin riep om te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wüde, ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar; men kan niet altijd doen wat itten wil en ik had een plan, dat niet zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe verdienen, vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en dat geld kwam niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen, dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loepen, ons inspannen in 't zweet óns aanschijns, en ons aüerlei ontbering getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden wij, nietwaar Mattia? — Eiken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien, of 't niet verdubbeld was.

— Die goede jongens, die béste jongensI

Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan den waterput ging halen.

Toen ik terugkwam, stond er een volle terrine met geelachtig beslag; vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield door er voortdurend stukken hout op te werpen. In een hoek naast de haard gezeten, sloeg Capi aT die voorbereidende werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den eenen en dan weer den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam verlichtte de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren op de katoenen gordijnen van het ledikant dansen, gelijk voorheen, toen zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen, als ik bij maneschijn wakker werd.

Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter met de punt van het mes en het dit in de pan glijden, waar het dadehjk smolt.

— Dat ruikt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield zonder vrees, dat hij zich branden zou. De boter begon te sissen

— Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren

Voor Mattia, loste zich alles op in muziek. Hij nam zijn viool en begon zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter, en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen

Sluiten