Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige vroolijkheid I ever te geven; met haar pollepel had vrouw Barberin in de terrine geroerd - en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen neerviel; toen goot zij het in I de pan en de boter, die terugvloeide bij den stroom van deeg, vormde er een

rossen kring om. Op mijn beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een

tik op den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grool ten schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte in

den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weer omgekeerd in de pan

en met zijn gebakken zijde boven. Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed er in.

Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en zijn keel brandJ de, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet aan, dat hij zich brandde.

— He, hoe lekker! riep hij met vollen mond. Toen was het mijn beurt om ■ mij te branden, en evenmin als Mattia voelde ik iets van de pijn.

De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon | Capi geducht te blaffen; het was zijn beurt, hij had er recht op en Mattia gaf | hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging van vrouw BarbeI rin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren er in 't algemeen voor koesE teren: zii heffreen niet. dat men aan een hond ..het eten van een rhrisfen-

I monocli" act firn >>qqt- «DTrodon *» cfollcn 701 ÏTr rlol flam oon «looirl» Wnnd

li was en dat hij bovendien een deel van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij recht om te eten, wat wij kregen, en tegelijk met ons, daar zij gezegd had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild. Het duurde lang, eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden, lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een [ oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoek meer te zullen eten, i vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.

Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren en j daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop te gieten was | vrij gemakkelijk, maar niet om de pannekoek te keeren; de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijn handen. Eindelijk was de pot leeg, en ! | daar Mattia zeer goed bemerkt had, dat vrouw Barberin, zoolang hij erbij was, ' niet wilde spreken over hetgeen mij betrof, zei hij, dat hij nog eens naar de koe wilde gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen De had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar ik kon 5 niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had, want het bak, ' ken van de pannekoeken had mijn aandacht zoo geheel-en-al beziggehouden, I: dat ik aan andere dingen niet had gedacht.

Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had verhuurd. Daarmede had t ik f niets te maken. Vitalis was dood en hij kon dus niet betalen, en van'mij zou | men het geld toch wel in de laatste plaats kunnen vragen Maar zoo Barberin | al geen geld van mij krijgen kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op. \ mijzelven, en dan zou hij mij kunnen plaatsen, waar hij wilde, als men maar voor mij betaalde. En dat boezemde mij belang in, war;t ik had vast besloten |; het uiterste te beproeven, voor ik mij onderwierp aan het gezag van dien na| ren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en met Mattia naar |' Italië gaan, of naar het einde der wereld. Met die gedachte vervuld, had ik mij K voorgenomen, zeer voorzichtig te zijn in mijn woorden, als ik met vrouw Bar|| berin sprak; voor die goede vrouw zelve behoefde ik mij niet in acht te nemen, j want ik wist, dat zij veel van mij hield en alles voor mij over had; maar zij was 1 bang voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zei, zou zij het wel \ eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin het mid| del in de hand geven, om mij op te sporen en zich weer meester van mij te raaI ken. Als dit gebeuren mocht, moest het ten minste niet aan mijzelven worden K:toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.

Toen Mattia de deur uit was, zei.ik tot vrouw Barberin: — Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu ook zeggen, wat Barberin voor mij te I Parijs is gaan doen? — "Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen. Met veel genoegen! Ik stond verstomd.

Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimI lach op 't gelaat sprak ze: — Het schijnt, dat uw familie u zoekt.

Sluiten