Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Mijn familie? — Ja, uw fainilie, Rémi.

— Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?

— Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans zoekt mén u.

— Wie zoekt mij? O, spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u. Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en riep uit: —. Maar dót is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.

— Dat doet hij ook, maar voor uw familie.

— Neen, voor hem zeiven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij zal mij niet hebben. Si 3

— Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou willen leenen! — Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.

— Maar jongen, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik u zeggen zal, dan zult gij mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't wérk was, toen een man, of liever een heerj het huis binnentrad, waar Barberin op dat oogenblik zich bevond. „Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die met een eenigszins vreemden tongval sprak. „Ja," zei Jéröme, „zoo heet ik." — „Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de Avenue de Bréteul en de taak op u nam om het groot te brengen?" — „Ja." — „Mag ik u dan vragen, waar dat kind nu is?" — „Mag ik u vragen, wat u dat aangaat?" antwoordde Jéróme met een wedervraag. Mocht ik al getwijfeld hebben aan de oprechtheid van vrouw Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk, dat zij goed geluisterd had.

— Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren, wat hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een onweerstaanbaren lust om te luisteren, 'ik deed dus een paar stappen nader, maar daarbij trapte ik op een tak, die kraakte. — „Zijn wij niet alleen?" vroeg de heer. — „Dat is mijn vrouw," antwoordde Jéróme. „Het is hier erg warm," ging de heer voort „laat ons liever buiten gaan om daar te, praten." ,Zij