Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«™,„ê? v r^dieaent' duVeel minder waren zij in staat mild jegens ons te .ijn. Van Chatillon af volgden wij de oevers van het kanaal en de boschrqke dreven, het zacht kabbelende water en de scheepjes die langzaam door de paarden werden voortgetrokken, brachten mij de gelukkige dagen weer ia herinnering, die li op De Zwaan met mevrouw Milligan en Arthur had mogen doorbrengen toen ik op het water dobberde. Waar bevond zich thans De Z w a a n ? Hoe dikwijls had ik, als wij een rivier overstaken of langs een kanaal hepen, mij zelf afgevraagd, of men niet het een of ander pleizierbootje had zien voorbijstoomen, dat, door zijn dek en smaakvolle versierselen met geen ander verward kon worden. Mevrouw Milligan was ongetwijfeld weer naar Engeland teruggekeerd en Arthur zou zeker genezen zijn. D^t was het meest waarschijnlijke en het verstandigste om te gelooven en toch, meer dan eens, als wij langs dat kanaal hepen, dacht ik bij mezelf, als ik in de verte een boot zag naderen, of dat niet De Zwaan was. die ons tegemoet stevende

Het was mtussehen herfst geworden; de dagen waren korter dan in den zomer; wij zorgden er steeds voor de dorpen te bereiken, vóór het heelemaal donker was. Hoewel wij onzen pas ook versneld hadden, was het dien dair toch reeds laat in den avond, toen wij te Dreuzy aankwamen

i„de Tning, Van Lize's tante te bereiken, hadden wij slechts het kanaal

•Jj daald,.e -man van tante Catherina, die sluiswachter was, in de onmiddellijke nabijheid van de sluis woonde. Dit bespaarde ons veel tijd en spoedig hadden wij de woning gevonden, die aan het einde van het dorp' was gelegen, omringd door hooge boomen, wier takken in den nevel schenen te wiegelen. Mijn hart klopte onstuimig, toen wij dit huis naderden, waarvan het venster verlicht werd door het schijnsel van een groot vuur, dat onder den schoorsteen brandde en nu en dan een rood licht over onzen weg wierp

Toen wij zeer dicht bij het huis waren gekomen, zag ik dat de deur en het venster gesloten waren maar door het venster, dat blinden noch gordijnen t -'fZ,aAlk Llzeutvoor de tafel zi«en> naast haar tante, terwijl een min, ongetwijfeld haar echtgenoot, naast haar zat, met den rug naar haar toegekeerd oogenblik1JI1 avondeten> merkte Mattia op; het is juist het geschiktste

Maar ik hield hem terug en wenkte Capi om stil achter ons te blijven

Daarop gespte ik de harp los en maakte mij gereed om er op te spelen.

— O ja, fluisterde Mattia, een serenade, dat is een goede inval

— Neen, gij niet, ik alleen.

En ik begon de eerste noten te spelen van mijn napolitaansch hed, maar zonder te zingen, zoodat mijn stem mij niet kon verraden. Terwijl ik speelde, hield

ïrffi. I °£tVZ6 ge/rhl; Zï hlef Plotseling het hoofd op en uit haar oogen straalde een flikkerend licht. Ik begon te zingen. Zij sprong toen van haar stoel en snelde naar de deur; ik had slechts den tijd om mijn harp aan Mattia te geven, want Lize hing reeds om mijn hals.

Men het ons binnen en toen tante Catherina mij goedendag gezegd had zette zij twee borden op tafel. 8 8Cic«u Uiu<

Ik verzocht haar toen om er nog een derde naast te plaatsen.

ÏT £ &1J • g°edvlndt> bren8 ik nog een derden makker mede. r kUlt £ÏT r.eistas.ch de POP te voorschijn, die ik op een stoel naast

Lize zette. Den blik, dien Lize mij toewierp, zal ik nooit vergeten en dikwijl* voel ik hem nog op mij gericht. % H

BARBERIN. XXXIII.

Als ik niet zulk een haast had gehad om Parijs te bereiken, dan zou ik ongetwijfeld nog zeer lang bij Lize gebleven zijn; wij hadden elkander zooveel te vertellen, en wij konden elkaar, met de taal, waartoe wij onze toevlucht moesten nemen, zoo weinig zeggen

Lize moest mij toch haar komst te Dreuzy vertellen, hoe lief en goed haar oom en tante voor haar waren, die van de vijf kinderen, welke zij gehad hadden, geen meer hadden overgehouden; een ramp, die vele gezinnen treft daar de moeders haar eigen kinderen dikwijls verlaten, om als voedsters naar Pa-

Sluiten