Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dreuzy aflegde, moest ik te voet van Dreuzy naar Parijs. Ware Mattia niet bii mij geweest, dan zou ik steeds zeer groote afstanden afgelegd hebben en mii Bepaald hebben om slechts zooveel te verdienen als wij voor ons onderhoud volstrekt noodig hadden. Waarom zouden wij ons zooveel moeite geven? Wï Behoefden geen koe en geen pop meer te koopen; als wij ons dagelijksch brood dus maar hadden, was het voldoende, want aan mijn ouders behoefde ik waarlijk geen geld te brengen.

' Maar Mattia het zich volstrekt niet overtuigen door de redenen, die ik voor de verdediging van mijn meening aangaf. — Laten wij maar verdienen, wat WH krijgen kunnei-, zei hij, terwijl hij mij noodzaakte mijn harp te bespelen. Wie weet, of wij Barberin wel zoo spoedig zu'len vinden.

— Als wij hem om twaalf uren niet mochten vinden, zullen wij hem zeker om twee uren ontmoeten; de rue Mouffetard is zoo groot niet.

— En als hij nu eens niet in de rue Mouffetard woont?

— Dan zullen wij gaan daar, waar hij elders woont. WW$Ê

— En als hij naar Chavanon is teruggekeerd, zullen wij hem moeten schrijven en op zijn antwoord moeten wachten. Waar zullen wij in dien tusschentijd van leven, als wij niets in onzen zak hebben? Men zou wezenlijk zeggen dat gij Parijs met kent Hebt gij dan de groeven 'van Gentilly vergeten? — Néén

— Welnu, ik voor mij heb den muur van de kerk Saint-Médard ook niet vergeten, waartegen ik leunde om niet te vallen, toen ik dacht van honger om te komen. Ik wil geen honger meer lijden in Parijs. »

— Des te beter zullen wij eten, als we bij onze ouders aankomen.

— Nu eet ik toch, al heb ik goed ontbeten, maar als ik niet ontbeten en niet gegeten heb, dan ben ik niet, zooals ik wezen moet; en dat bevalt mij volstrekt met Laten wij dus maar werken, alsof wij ook voor uw ouders een koe moesten koopen. Dat was een zeer verstandige raad; ik moet evenwel bekennen dat ik niet meer zoo zong, als toen wij stuiver voor stuiver moesten verdienen om een koe voor vrouw Barberin en een pop voor Lize te koopen

— Wat zult ge lui wezen, als ge rijk zijt, zei Mattia.

Van Corbeil af volgden wij den weg, dien wij zes maanden geleden hadden afgelegd, toen wij Parijs hadden verlaten om naar Chavanon te gaan, en vóór wij te Villejuif kwamen, traden wij dezelfde hoeve binnen, waar wij ons eerste concert hadden gegeven, toen wij voor de eerste maal samen speelden en de bruiloftsgasten heten dansen. Het jonge echtpaar herkende ons en zij verzochten, dat wij hen nogmaals zouden laten dansen. Men gaf ons een goed avondmaal en het ons in de schuur slapen. Van daar vertrokken wij den anderen morgen om onzen intocht in Parijs te houden. Er waren juist zes maanden en veertien dagen ver loopen, sinds wij Parijs verlaten hadden

Maar de dag, waarop wij terugkwamen, verschilde geheel met dien, waarop wij de stad verheten; het was nevelachtig en koud; de zon scheen niet; bloemen waren er niet meer en ook geen gras langs den weg; de zomerzon had haar taak volbracht; toen was de eerste herfstnevel gekomen — thans vielen geen seringen meer op ons neder van de muren, maar verdorde bladeren die zich langzaam losmaakten van de droge takken.

Maar wat deerde ons dat treurige weerl Ons hart klopte van vi ugde en wii behoefden niet meer door onze omgeving tot vroolijkheid te worden gestemd!

Als ik zeg wij, dan druk ik mij niet geheel juist uit; eigenlijk was ik het slechts, die zich zoo opgeruimd gevoelde.

Wat Mattia betrof — naarmate wij Parijs meer naderden, werd hij treuriger gestemd en soms liep hij uren lang zonder een woord te spreken.

Nooit had hij mij de oorzaak van die treurigheid verteld en ik voor mij schreef ze slechts toe aan zijn vrees, dat v.jj zouden scheiden, en daarom wüde ik met herhalen, wat ik hem reeds zoo dikwijls had gezegd, dat mijn ouders er volstrekt met aan zouden denken om ons van elkander te doen gaan

Eerst toen wij halt hielden om te ontbijten, vóór wij aan de buitenwijken kwamen, vertelde hij mij, terwijl hij op een steen zat, wat hem bezighield

— Weet ge aan wien ik denk, nu ik weer te Parijs kom? — Aan dien dan*

— Aan wien? Wel, aan Garofoh. Als hij weer eens uit de gevangenis was? loen men mij vertelde, dat hij in de gevangenis zat, heb ik niet gevraagd voor hoelang? Misschien is hij dus weer op vrije voeten en zit hij weer in de rue Lourcine. In de rue Mouffetard moeten wij Barberin zoeken, dus in dezelfde wijk waarin Garofoli woont, in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning

Sluiten