Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was, of ik een duizeling kreeg; de potten en pannen dansten mij Toor de oogen. — Waar kan ik hem zoeken? — Hij heeft zijn adres niet achtergelaten. Zeker drukte mijn gelaat op welsprekende en treffende wijze mijn teleurstelling uit, want een der mannen, die aan een tafeltje bij het fornuis zat te eten, richtte het woord tot mij. — Wat wilt ge van Barberin? vroeg hij.

Het viel mij onmogelijk hem openhartig te antwoorden en mijn geschiedenis te vertellen. — Ik kom uit zijn land, uit Chavanon, en ik kom hem tijding brengen van zijn vrouw. Zij had me gezegd, dat ik hem hier zou vinden.

— Als ge weet, waar Barberin is, sprak Chapinet, zich tot den man wendende, die tot me gesproken had, kunt gij het wel aan dien jongen vertellen; die zal hem geen kwaad doen; is 't wel, vriendje? — O, neen, mijnheer.

Ik kreeg weder hoop.

— Barberin moet thans in het logement van Cantal wonen, in de passage d'Austerlitz, daar was hij tenminste drie weken geleden.

Ik betuigde mijn dank, maar vóór ik naar de passage d'Austerlitz ging, die meende ik, aan het andere einde Van de brug van Austerlitz lag, wilde ik iets omtrent Garofoli vernemen, om Mattia op de hoogte te brengen van diens toestand. Ik was vlak bij de rue de Lourcine en ik had maar weinige schreden te doen om het huis te vinden, waar ik eens met Vitalis geweest was. Evenals de eerste maal toen ik die woning binnentrad, was een oud mannetje, hetzelfde als toen, bezig met behulp van een stok met een haak oude lorren tegen een groenachtigen muur te hangen. Men zou gezegd hebben, dat hij in al dien tijd niets anders had gedaan. — Is baas Garofoli al terug? vroeg ik.

Het oude mannetje zag mij eens aan en begon te hoesten. Het scheen mij toe, dat ik hem moest doen begrijpen, dat ik wist, waar Garofoli was en zonder dit van den voddenraper niets te weten zou. komen.

— Zit hij nog altijd? vroeg ik met een blik'van verstandhouding. Dan zal hij zich wel vervelen. — Misschien; maar de tijd gaat toch om.

— Toch niet zoo gauw voor hem als voor u.

Het mannetje lachte om die aardigheid en begon toen geweldig te hoesten.

— Weet ge ook, wanneer hij terug moet komen? vroeg ik, toen zijn hoest wat bedaard was. — Over drie maanden.

Garofoli moest dus nog drie maanden zitten. Mattia kon alzoo veilig ademhalen; binnen drie maanden zouden mijn ouders wel het middel gevonden hebben om dien vreeselijken padrone in de onmogelijkheid te stellen iets tegen zijn neef te ondernemen

Had ik bij Chapinet mij een oogenblik diep ongelukkig gevoeld, thans was ik weer vol hoop en ik ging Barberin zoeken in het logement van Cantal.

Zonder dralen begaf ik mij naar de passage d'Austerlitz, Vol hoop en vreugd; en bezield met die gewaarwordingen, was ik zeer welwillend jegens Barberin gestemd. Wel beschouwd was hij dan ook zoo kwaad niet, als hij er uitzag. Zonder hem zou ik hoogst waarschijnlijk van honger en koude zijn omgekomen in de Avenue de Bréteuil. Wel had hij mij van vrouw Barberin afgenomen, om mij aan Vitalis te verkoopen, maar hij kende mij niet'en hij kon dus geen liefde koesteren voor een kind, dat hij nooit gezien had. Bovendien leed hij armoede en uit armoede doet men zooveel, dat verkeerd is. Thans zocht hij mij en hij was voor mij werkzaam, en als ik mijn ouders- terugvond, zou ik dit aan hem te danken hebben. Die gedachten spraken luider in mij dan het gevoel van afkeer, dat ik jegens hem koesterde van het oogenblik af, dat ik Cha-. vanon verlaten had en Vitalis mijn pols in zijn hand omklemde. Ook tegenover hem zou ik mijn dankbaarheid toonen; al was dat niet uit genegenheid en liefde, zooals voor vrouw Barberin, dan was het toch uit plichtsbesef.

Als men den plantentuin doorgaat, is de afstand van de rue de Lourcine tot de passage d'Austerlitz zoo groot niet en weldra was ik dan ook aan het logement van Cantal, dat van een logement niet anders had dan den naam, want in werkelijkheid was het een ellendig huis met slecht gemeubileerde kamers. De eigenares was een oude vrouw, wier hoofd onophoudelijk trilde en die erg hardhoorend was. Toen ik ook haar dezelfde vraag 'ïad gedaan als aan de anderen, bracht zij haar hand achter haar muts a' het oor en verzocht mij Kog eens mijn vraag te herhalen.

— Ik ben een beetje doof, zei ze. i^WëÊ.

— Ik wenschte Barberin te spreken, Barberin uit Chavanon Die woont bij n niai waar?

Sluiten