Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar kwam ik op de gedachte, om voor het kind wat te spelen. Ik nam mijn harp en tokkelde langzaam een wals, terwijl de knaap de maat trappelde met ' zijn voetjes. De heer kwam naar mij toe en gaf mij een stuk zilvergeld, maar ik weigerde beleefd. — Och neen, mijnheer, zei ik, gun mij het genoegen, dat I ik voor uw kind speel, 't Is zoo'n hef kind!

Hij zag mij aandachtig aan, maar op dat oogenbhk verscheen er een agent van politie, die, ondanks de tegenkanting van den heer, mij gelastte me zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken, als ik niet opgepakt wilde worden, omdat ik in den tuin muziek had gemaakt. Ik sloeg den band van mijn harp weer over den schouder en ging heen, maar nog dikwijls zag ik om naar den ; heer en de dame, die mij met een medelijdenden blik nastaarden.

Daar het nog geen tijd was om naar de brug de 1'Archevêché te gaan en Mattia op te zoeken, doolde ik langs de kade en zag naar de stroomende rivier.

De avond begon te vallen; men stak de gaslichten aan. Toen richtte ik mij I naar de kerk Nótre-Dame, waarvan de twee torens als donkere massa's afstaken tegen den purperen hemel. Niet ver van de kerk vond ik een bank, waarop ik mij kon neerzetten en dat deed mij goed, want mijn beenen waren als lood, alsof ik uren lang geloopen had, en daar gaf ik mij weer aan mijn treurige overpeinzingen over. Nooit had ik mij zoo afgemat en moe gevoeld. In mij I en om mij was alles even somber; in dat groote Parijs, zoo vol licht en leven en beweging voelde ik mij eenzamer dan te midden van de velden en bosschen

De menschen, die voorbijgingen, keerden zich somtijds om en zagen mij aan; maar wat raakte mij hun nieuwsgierigheid of hun medelijden; op de belangstelling van vreemde menschen was mijn hoop niet gebouwd.

De eenige afleiding, die ik had, was de uren te tellen, die de torenklok aangaf. Ik berekende dan hoeveel tijd ik nóg wachten moest, om weer kracht en moed te putten uit de vriendschap van Mattia. Wat een troost gaf mij dat voornitzicht, weer die trouwhartige,