Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik mij naar Frankrijk, naar den commissaris van politie van de wijk, waarin gij te vondeling waart gelegd. Van hem vernam ik, dat gij door een metselaar uit Chavanon waart gevonden en ik reisde naar Chavanon. Barberin deelde mij mede, dat hij u aan een reizenden muzikant, Vitalis, had verhuurd en dat gij met dezen door Frankrijk zwierft. Daar ik niet in Frankrijk kon blijven en Vitahs opzoeken, droeg ik aan Barberin die taak op en gaf hem het geld dat hij noodig had om naar Parijs te komen. Tevens verzocht ik hem, den rechtsgeleerden, aan wie ik mijn zaken in handen had gegeven, den heeren Greth and Gallay, kennis te geven, als hij u gevonden had Mijn eigen adres gaf ik hem niet, omdat wij alleen 's winters in Londen wonen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en Schotland voor onzen handel, want wij zijn reizende kooplui en nemen onze wagens en ons gezin mede. Nu weet ge, hoe gij teruggevonden zijt en hoe gij, na dertien jaar, weer uw plaats in ons gezin inneemt. Ik begrijp best, dat gij er u nog niet geheel thuis gevoelt, want gij kent ons nog niet, en gij verstaat niet, wat wij zeggen, evenmin als mijn vrouw en kinderen u kunnen verstaan; maar ik vertrouw, dat dit wel spoedig zal komen en gij u hier weldra op je gemak gevoelen zult.

Zonder twijfel zou ik spoedig wennen Dat was dan ook natuurlijk, want ik was nu bij mijn familie en zij, met wie ik voortaan leven zou, waren mijn vader, moeder, broers en zusters.

Die mooie luiers waren dus bedrog; voor vrouw Barberin, voor Lize, voor vader Acquin en voor allen, die mij geholpen hadden, was dit echt ongelukkig Ik kon voor hen met doen, wat ik mij altijd had voorgesteld, want reizende kooplui, vooral zij, die in zulk een stulp woonden, zijn geen rijke menschen; maar voor mij zeiven was dit een vrij onverschillige zaaic. Ik had een familie en het was een dwaze kinderdroom van mij geweest te meenen, dat ik mijn ouders vindende, rijk zou worden. Liefde is meer dan rijkdom en aan riikdota had ik geen behoefte, maar wel aan liefde. Terwijl ik naar het verhaal van mijn vader luisterde en slechts ooren en oogen had voor hem, had men de tafels gedekt: borden met blauwe bloemen, en op een tinnen schotel een groot stuk gebraden ossenvleesch met aardappelen er omheen.

— Hebt ge honger, jongens? vroeg mijn vader aan Mattia en mij. Mattia zef niets, maar het zijn witte tanden zien Laten we dan aan tafel gaan.

Vóór hij zitten ging, schoof hij den stoel van grootvader aan; toen zette hij zich met den rug naar 't vuur en begon het vleesch te snijden en gaf ons elk een snee met aardappelen.

HoeWel ik 'niet zoo geheel in de vormen was opgevoed, of liever, ofschoon ik in het geheel niet was opgevoed, merkte ik toch op, dat mijn broers en mijn oudste zuster meest met de handen aten, dat ze de vingers in de saus doopten en ze aflikten, zonder dat mijn vader en moeder dit schenen op te merken Wat mijn grootvader betrof, de hand, die hij tot zijn dienst had» ging onophoudelijk van zijn bord naar zijn mond. Toen hij een stukje uit de bevende vingers liet vallen, begonnen mijn broers om hem te lachen

Toen het avondeten was gebruikt, dacht ik, dat wij den avond bij het vuur zouden doorbrengen; mijn vader zei, dat hij menschen wachtte en dat wij naar bed moesten gaan. Toen nam hij een kaars en bracht ons in een stal, die grensde aan het vertrek, waar wij gegeten hadden. Daar stonden twee wagens, zooals gewoonlijk reizende kooplui gebruiken. Hij opende de deur van een dier wagens en wij zagen daarin twee heerlijke bedden.

— Daar kunt ge slapen; rust wel.

Dat was de ontvangst bij mijn familie — de familie DriscolL

EERT UW VADER EN UWE MOEDER. XXXV.

Bij het heengaan had mijn vader de kaars achtergelaten, maar hij had de deur van den wagen gesloten. Er bleef ons dus niets anders over dan te gaan slapen. En dat deden wij ook, maar zoo spoedig mogelijk, zonder te blijven pralen, gelijk wij 's avonds gewoon waren en zonder elkander den 'indruk mede te deelen, dat het gebeurde van den dag op ons gemaakt had.

— Rust wel, Rémi, zei Mattia. — Rust wel, Mattia.

Sluiten