Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mattia had niet meer lust om te spreken dan ik zelf, en het deed mij genoegen, dat hij zweeg.

Maar al heeft men geen lust om te praten, dan heeft men nog niet altijd lust om te gaan slapen. Toen het licht was uitgegaan, was het mij onmogelijk de oogen te sluiten; ik begon na te denken over al hetgeen er had plaats gehad, en legde mij nu eens op de eene dan op de andere zijde.

Terwijl ik lag te peinzen, hoorde ik Mattia, die de slaapplaats boven de mijne innam, eveneens zich telkens omkeeren; ook hij sliep dus niet.

— Slaap je? vroeg ik op gedempten toon. — Nog niet.

— Gij hebt toch niets? — Neen, uiets; ik voel me integendeel heel wel, maar alles draait om me heen; 't is of ik nog op zee ben en de wagen op en neer gaat als de golven.

Zouden het alleen de golven van zeeziekte zijn, die Mattia beletten te slapen?

Waren de gedachten, die hem vervulden, niet dezelfde als de mijne? Hij hield genoeg van me en wij waren eens genoeg van geest, zoowel als van hart, om te gevoelen, wat ik gevoelde.

De slaap kwam maar niet en naarmate de tijd voorbijging, vermeerderde mijn onbestemde angst. Eerst had ik niet juist den indruk beseft, die alles overheerschte, wat er in mijn hoofd verward en nevelachtig omging; maar nu begon ik te gevoelen, dat het vrees was. Vrees voor wat? Ik wist bet niet, maar vrees was het. Maar ik was niet bang, omdat ik in dien wagen lag te midden van die ellendige wijk Bethnal-Green. Hoe menigen nacht had ik in mijn leven reeds doorgebracht, waarin ik niet zoo veilig was als hier. Ik was mij Bewust, dat geen gevaar mij bedreigde en toch was ik beangst: hoe meer ik er mij tegen verzètte, zooveel te minder slaagde ik erin mij gerust te stellen.

Het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat ik mij rekenschap kon geven van den tijd, want er waren in den omtrek geen klokken, die sloegen. Op eens hoorde ik een groot gedruisch aan de staldeur, die in een andere straat uitkram als De Roode Leeuw, en na een herhaald geroep met gelijkmatige tusschenpoozen, drong het schijnsel van een licht in onzen wagen door.

Verrast zag ik om mij, terwijl Capi, die tegen mijn legerstede lag te slapen, oprees en begon te knorren. Ik zag toen, dat het schijnsel tot ons doordrong door een raampje in den wand van onzen wagen, waartegen onze slaapplaatsen waren gemaakt en dat ik bij het naar bed gaan niet gezien had, omdat er een gordijn voor hing. Een gedeelte van het raampje kwam uit in de slaapstede van Mattia; het andere gedeelte in de mijne. Daar ik niet wilde, dat Capi het geheele huis in opschudding zou brengen, legde ik de hand op zijn bek en keek naar buiten. Mijn vader was het, die in den stal was gekomen en met kracht, maar zonder gedruisch, de straatdeur had geopend en vervolgens op dezelfde wijze gesloten, nadat hij twee mannen had ingelaten, die elk een grooten zwaren zak droegen.

Hij legde een vinger op zijn mond en wees met de andere band, waarin hij een dievenlantaarn hield, naar den wagen, waarin wij lagen. Dit beteekende waarschijnlijk, dat men geen gedruisch moest maken, daar wij anders wakker zouden worden. Die bezorgdheid voor ons deed mij goed en ik was op het punt hem toe te roepen, dat men zich niet behoefde te ontzien, want dat ik niet sliep, maar daar dan ook Mattia wakker zou worden, die, naar ik meende, in diepen slaap was gedompeld, hield ik mij stil.

Miin vader hielp de mannen hun zakken afleggen en ging toen een oogenblik heen om met mijn moeder terug te komen. Terwijl hii weg was, hadden de mannen hun zakken geopend; de een was vol manufacturen; in den andoren was bontwerk, gebreid goed, onderbroeken, kousen, handschoenen, enz.

Toen begreep ik, wat mij eerst had verwonderd; de mannen waren kooplui, die hun waar aan mijn ouders kwamen brengen. Mijn vader nam alles stuk voor stuk in handen e'n bekeek het bij zijn lantaarn, terwijl .mijn moeder met een schaar de aangehechte papiertjes er afknipte en die in haar zak stak.

Dit kwam mij vreemd voor, evenals het uur, waarop die verkoop plaats had, mij verwonderde. Gedurende het onderzoek zei mijn vader nu en dan • op fluisterenden toon een paar woorden tot de mannen, die de zakken hadden gebracht. Als ik engelsch had gekend, zou ik die woorden misschien verstaan hebben, maar men verstaat slecht, wat men niet begrijpt. Alleen het woord p o 1 i c e-m a n. dat bij herhaling werd gebruikt, trof mijn oor.

Nadat de inhoud van de zakken zorgvuldig was bekeken, verheten mijn

Sluiten