Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, als wij onze kans konden waarnemen in de stad, wij die niet voorbij moesten laten gaan en toen voegde hij er bij en dit weet ik zeker — ..onthoud dit: men moet leven ten koste van de onnoozelen."

Zeker giste mijn grootvader, wat Mattia mij uitlegde, want bij die laatste woorden maakte hij met de hand, die niet lam was, een beweging, alsof hij iets in zijn zak stak en hij knipte daarbij met de oogen.

— Laat ons heengaan, zei ik tot Mattia. '-$4$

Twee of drie uren lang zwierven wij in den 'omtrek van de Roode Leeuw; 1 wij durfden ons niet ver verwijderen, uit vrees, dat wij den weg niet meer zouden vinden. Bij daglicht scheen Bethnal-Green mij nog vreeselijker toe, dan ï toen wij bet in de schemering hadden gezien; de huizen, zoowel als de menschen hadden een allerellendigst voorkomen.

Wij keken Mattia zoowel als ik, maar wij zeiden niets tegen elkander.

Telkens langs denzelfden weg terugkeerende, kwamen wij eindelijk weer op I het pleintje voor De Roode Leeuw, en traden in huis. Mijn moeder had haar I kamer verlaten; op den drempel zag ik haar reeds met het hoofd rustend op de tafel. Ik verbeeldde mij, dat zij ziek was, en ik ging naar haar toe om haar een kus te geven, want met haar praten kon ik niet.

Ik sloeg mijn armen om haar hals; zij richtte het hoofd op, dat op haar ; schouders bengelde en zag mij aan, maar blijkbaar zonder mij te zien; toen rook ik de lucht van jenever, die haar adem mij in het gezicht blies. Ik deinsde terug en zij liet het hoofd weer zinken op haar armen, die op tafel lagen ( uitgestrekt. - Gin O. zei mijn grootvader. \mM . |

En hij zag mij grinnekend aan. terwijl hij eenige woorden sprak, die ik niet verstond. Eerst bleef ik onbeweeglijk, als versteend staan; toeh wierp ik een blik op Mattia, wien eveneens de tranen in de oogen stonden

Ik gaf een wenk en weer gingen wij heen.

Langen tijd liepen wij naast elkander voort, elkanders hand vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten, waar wij heengingen-I

— Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust.

— Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen kunnen I praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen, kan ik het niet ? doen Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf, had ik dan Ook, op het voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te zeg-

H»gen wanneer wij ons in een straat van een stad of dorp bevonden; als ik men- I schen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijn gedachten bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel weten, wat ik zei.

Op het oogenbhk, dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in een straat gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold; ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien was'; daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de vrije natuurI niet maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden en hier en daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij, waar wij wezen moesten om samen te praten Mijn besluit was genomen en ik wist, wat ik zeggen wilde.

— Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zei ik tot mijn makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijn vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht. , .. . ,

— Wat een domme vraag! zei hij, terwijl hij poogde te glimlachen

— Je wilt lachen opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er niet toe, of ik bedroefd ben;' bij wien kan ik weenen, als het niet bij u is? .

En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit had ik mii zoo ongelukkig gevoeld, toen ik alleen was, als thans te midden van die groote, woelige wereld. Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weer bedaard te worden; ik had Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen be-, klagen; het was niet voor mij, maar voor hem, dat ik er heengegaan was.

— Mattia, zei ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk terugkeeren. I

— U verlaten? Nooit. — Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat ge mij nooit wüt verlaten, maar,

i) Gin = jenever. WmÊ

Sluiten