Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loofd hadden en dit zal voldoende zijn voor mijn verontschuldiging. Ge begrijpt het nu, nietwaar? Zij zijn niet rijk; dat verklaart alles; het is geen schan- | de niet rijk te zijn.

— Het is niet, omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt doen heen gaan; daarom ga ik dan ook niet heen. . ...

— Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet met; gi] ziet, hoe groot het I reeds is.

— O ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u schaamt. Ü ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al niet begrijp, wat tot miin hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel toch, wat mij h 1 e r treft — hii legde bij die woorden zijn hand op het hart. - t Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen vertrekken; 't is met, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar, 't is, omdat - na hetgeen gij vannacht gezien hebt - gij bang voor nuj ziit. — Mattia, zeg dat niet. . |

— Gii ziit bang, dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de waren, die niet gekocht zijn. - O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch.

En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte.

_ Welnu, zoo gii niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben bang voor U en daarom zeg ik, laten wij samen heengaan, laat ons naar Frankrijk terugkeken om vrouw Barberin en Lize en uw vrienden op te zoeken.

— Dat is onmogelijk; mijn ouders zijn voor u niets; gij zijt hun niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijn ouders en ik moet bij hen blijven.

_ Uw öuders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over de tafel lag uw moeder! , .. ,, .

Ik sprong op, en bevende riep ik op bevelenden toon uit: - Zwijg, Mattia, spreek zoo niet; ik verbied het u, 't is mijn grootvader; 't is mijn moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied en liefde voor hen hebben.

— Dat moet ge als zij werkelijk uw ouders waren; maar als het noch uw grootvader, noch'uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen met te eeren en lief te hebben.

— Hebt gij dan het verhaal van mijn vader met gehoord?

— Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw leeftijd, | -zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden van denzelfden ouderdom, als zij verloren hadden; dat is al.

— Gii vergeet dat heb kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te vondeling is gelegd in de Avenue de Bréteuil en dat ik in dezelfde straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren.

— Waarom zouden niet twèe kinderen op denzelfden dag m dezelfde straa te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich niet vergist kunnen hebben? toen hij Driscoll naar Chavanon zond? Dat is mogelijk.

Dat is al te dwaas. _ .. ... „

— Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen, schijnt misschien onmogelijk maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg, omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te leggen en> dan zou . het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet mijn denkbeeld. Dat is al.

— Helaas! neen; dat is n i e t ah

— Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt, zooals uw broers en zusters die allen, zonder uitzondering, dezelfde kleur van haar hebben

Waarom zoudt gij dan niet zulk haar hebben? Bovendien is er nog een zeer zonderlinge zaak; hoe hebben menschen, die nietVijk zijn zoovee geld kunnen ui gelen om hun kind terug te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mfin èSiging geen Driscoll Ik weet wel, dat ik dom ben; dat heeft men ÏÏüfd ge^dfmaar dat is,de schuld van mijn hoofd. G« zijt geen Driscoll en ei moet niet bij de Driscoll's blijven; Als gij nochtans bij hen blijven wilt, dan b if ik b u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken ons te schrijven,, . hoi uw luiers er precies uitzagen; ab wij haar brief ontvangen zuhen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt, ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als er gewerkt moet worden zullen wij samen werken

— Maar als men Mattia weer eens op zijn hoofd sloeg?

Sluiten