Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kalmte volgde op de woelige drukte van den dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen en mijn harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een paar straten verder maakten. Ons concert was uit. Hoeren en dames, goede nacht en vroolijke kerstmis.

Dan gingen wij verder, om op een andere plaats te spelen.

Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor ons waren er geen dekens of peluws; wij moesten spelen met stramme, halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte mist drong door onze kleeren heen; dan weer was de hemel helder en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te verstijven. Een zachten, zoelen nacht kent men in Engeland niet, vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor ons! Toch bleven wij gedurende drie wéken geen enkelen nacht ih huis. Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij, verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij daar! Gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.

Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.

En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen der armen

En wij wenschiten een vroolijke^Kerstmis aan hen, die liefde genoten.

DE ANGST VAN MATTIA. XL.

De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten. Na Kerstmis" moesten wij weer overdag uit en onze kans om hem te ontmoeten werd minder; onze hoop was nog op den Zondag gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis, in plaats van voor ons pleizier te gaan wandelen.

— Wij wachtten.

Zonder onzen totestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd, of er geen mogelijkheid was het adres te ontdekken van een zekere mevrouw Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James Milligan. Maar Bob zei, dat men dan allereerst weten moest, wie die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan bekleedde, daar zeer veel menschen in Londen, en nog meer in Engeland, den naam van Milligan droegen.

Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan, die de oom was van Arthur. Toen begon Mattia weer met zijn raad om naar Frankrijk terug ta keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen

— Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.

— Neen; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan nog in Engeland is. — Evenmin, dat zij in Frankrijk is.

— Dat is waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn moeder hem naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat geschikt is voor zijnjjerstel. — Frankrijk is het eenige land nietï dat heilzaam is voor een zwakke gezondheid.

— Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt.

Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen, waarom hij mij volstrekt hier vandaan wilde hebben; ik was bang, dat hij juist datgene zou zeggen, wat ik niet wilde hooren.

Sluiten