Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik ben bang( ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien, dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.

Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was, mijn grootvader nog altijd spuwde, als hij mij in zijn nabijheid zag; mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde; mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren; Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde, dat ik de zoon van' Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk. De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden toch op de dagen en de weken c üè weken en het tijdstip naderde, waarop de Driscoll's Londen zouden veriaten om hun zwerftocht door Engeland te ondernemen.

De wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van den zomer zou verkoopen. Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het was bijna niet te begrijpen, dat alles in de twee wagens kon worden gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken, zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen, naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen, vingerringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om het haar te doen groeien of om het te verven, enz.

En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans worden verkocht. Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht; waar, dat wist ik niet, maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was gereed voor het vertrek.

En wat zouden wij gaan doen? Zouden wij te Londen blijven met grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? Zouden wij, evenals Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wii met de wagens meegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de plaatsen, waar wij op onze reis doortrokken?

Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden blijven.

— .Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zei Mattia, en van de eerste de beste gelegenheid gebruik maken om te vluchten.

— Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken?

— Omdat ons een ongeluk overkomen zal.

— Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten.

— Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk.

— We kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien.

— Weet ge wat gij verdient? — Neen.

— Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga.

— Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en haar zeggen...,

— Als ik haar ontmoet, zou ik\ haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt om te gelooven, dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig. Wat heb ik u gedaan, dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u gedaan? Niets, nietwaar? Welnu, vooruit dan!

Alweer waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij om te gaan, waar ik wilde en te doen, wat ik goedvond. Toch had ik een gevoel van verlichting, toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode Leeuw niet meer zien en dat-luik, dat mij, ondanks mij zeiven, aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden, terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe; eenmaal had ik werkelijk dit licht gezien en dit was genoeg om het altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben. Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de ongezonde geuren van Bethnal-

Sluiten