Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Green, ademden wij de zuivere lucht van de landschappen, die wij doortrokken en die het woord green niet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen, terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.

Op den dag van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden, die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele voorraad werd uitgestald.

— Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes!

Ik hoorde menschen onder het weggaan tot elkander zeggen!

— 't Zal wel gestolen waar zijn. — Dat erkent hij zelf.

Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was. Maar al zagen zij dien blos niet, Mattia had hem wel opgemerkt en des avonds sprak hij er mij over hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over dat punt te spreken.

— Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.

— Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog meer kwelt.

— Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog; en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag zal willen weten, hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?

— Mattia, ik bid je

— Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets gedaan hebben. Maar hoé zullen wij dat .bewijzen? Hoe zullen wij ons'verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld van die gestolen waar gekocht?

Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men met een hamer op mijn hoofd had geslagen.

— Maar wij verdienen ons brood zei ik, om mij te verdedigen, niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen de gedachte.

: — Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden evenzeer als zij. Het zou mij diep leed dien, zoo ik veroordeeld werd' als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief wordt veroordeeld. Ik ben maar een arme drommel, en' ik zal nooit iets anders, zijn; maar gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat zal het dan een smart en een schande voor u zijn als gij zulk een vonnis hebt gehad' En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij allerminst gelegenheid hebben om uw ouders te ontdekken, en kunnen wij mevrouw Milligan ook niet waarschuwen, voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tiid is

— Red u zeiven.

— Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden, of wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt wat niet lang meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij mij met u medegesleept hebt, en wij zullen eens zien, of dat besef zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen. Laat ons dus spoedig heengaan.

Welnu laat mij nog een paar dagen om er over te denken; dan zullen wij 21 v?' ~ st u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.

Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij zoo sterk getroffen als thans, en als ik er aan dacht, zei ik tot mijzelven dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken kon; laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk toch móest weten, wat ik wilde.

De omstandigheden deden voor mij, wat ik zelf niet durfde.

Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet, wat zij in andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zeiven eens komen vertoonen om dan met elkander

Sluiten