Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer, wat ik speelde en Mattia wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld, dat het nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weer opnieuw begonnen.

Wij waren moe, maar onze makkers, die veel meer hun krachten moesten inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De pijn was zoo hevig dat hij het uitschreeuwde; ik dacht, dat zijn voet verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten, maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel met. Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en aat ik alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten, waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan.

— Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling dan gaan wij morgen samen

— En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden?

— Des te beter; dan zijn wij vrij.

— Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier zijn. Bovendien, gelooft gij niet, dat zij ons spoedig zou weergevonden hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet?

— Welnu, wij zullen morgen er heen gaan, maar met vanavond. Ik ben bang

— Waarvoor?

— Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u.

— Laat me toch gaan; ik beloof u morgen terug te zullen komen.

— En als men u terughoudt?

— Om dit te beletten zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel terugkomen. Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt met bang. Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen van een armen drommel als ik?

Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde, stemde mij zwaarmoedig. Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond! ze niet. Er waren drie ellendige karretjes, een groote loods van planken en twee overdekte karren, waaruit het gebrul van wüde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de wagen met de helle kleuren van de famiho Driscoll zag ik nergens. Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet iedereen nog sliep, klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk, dien ik den vorigen dag had gezien, deed mij zelf open en hield zijn lantaarn vóór me, zoodat het voüe hcht op mijn gelaat viel. Ik zag, dat hij mij herkende, maar in plaats van mij door te laten, hield hij de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde hij eenige oogenblikken aandachtig.

— Uw wagens zijn al vertrokken, zei bij; uw vader heeft gezegd, dat gij zonder verwijl naar Lewes zoudt gaan en den nacht zoudt doorloopen. Goede reis!

En hij deed de deur voor mijn neus dicht, zonder een woord erbij te voegen.

Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was. Louis, had de herbergier gezegd; waar lag*, dat land? Ik wist niet, dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik den naam wel eens op de kaart had gelezen.

Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, dan had ik er toch niet dadelijk kunnen heengaan. Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was. Ik begaf mij dan ook weer op weg en anderhalf uur later lag ik op een bos stroo naast Mattia, in den Wagen van Bob, en in weinige woorden vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik dood vermoeid in slaap.

Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen werd ik wakker, gereed om naar Lewes te gaan, als tenminste Mattia mij kon volgen. Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar Bob, die vóór mij was opge-

Sluiten