Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn onschuld was gebleken, zou ik dan niet de smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige men mij geloofde?

Ik moest door den politieagent vastgehouden, langs de rij van nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die er getuigen van waren waren geen boeren, maar menschen, die altijd min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, trappers, vagebonden, tramps, zooals de Engelschen hen noemen. De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot mee te drijven, zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was een gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden uit een bank en een hangmat.

Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang.

Hoe vreeselijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst. „Houd moed," had Mattia gezegd, „wij zullen u niet verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht een man als Bob, zoo deze Matüa wilde helpen?

Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één gedachte: eruit te komen

Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden om mij' van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis te komen.

Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik onderzocht den muur; hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen. Ik keerde naar het venster terug; dit gaf uitzicht op een smal, lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur, die minstens vier el hoog was.

Uit deze gevangenis was het niet mogelijk om te ontsnappen, zelfs al werd men geholpen door trouwe vrienden. Wat vermag de opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap breekt men niet door de muren heen Voor mij loste de zaak zich op in de vraag, hoelang ik in de gevangenis zou blijven vóór ik voor den rechter zou verschijnen,-die over mij beslissen zou? Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen niettegenstaande Capi in de kerk was.

En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen?

Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hun taak bestond hierin, dat zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen niet in de kerk SmtGeorge kon geweest zijn; als zij dat bewijzen konden, was ik gered, ondanks het zwijgend getuigenis van mijn armen Capi tegen mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven.

O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te vinden en zich moeite geven, om mij te redden; maar in den toestand, waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen komen! En als hij met kon, zou Bob dan zijn plaats willen innemen? Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging, belette mij te slapen ondanks de vermoeienis; ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo ik al het eten liet staan, met gretigheid viel ik op het water aan, want ik versmachtte van dorst en dien dag ging ik elk kwartier naar mijn kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn dorst, te lesschen of den bitteren smaak weg tenemén die ik den geheelen dag in den mond had.

Toen ik den cipier in de gevangenis, zag komen, had ik een gevoel van genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik, datik was opgesloten, verkeerde ik in spanning over de vraag, die ik maar niet kon oplossen. .

„Wanneer zou de rechter verhooren? Wanneer zou ik mij kunnen verdedigen? Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maandenlang had opgesloten gehouden, zonder dat men hun zaak behandelde, of zelfs hén maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet, dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen het in hechtenis nemen en de openbare behandeling der zaak voor den rechter.

Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag zou voorkomen.

Sluiten