Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ie huren aan den oever van het meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar ze den zomer zou doorbrengen.

Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij een kaart van Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. Nu De Zwaan niet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer op haar ville doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij behoefden haar maar te zoeken Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds te Vevey, te midden der talrijke villa's, die van het meer met zijn blauwe golven af zoo' bevallig achter elkander zich verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize bewoonde? Eindelijk waren wij, waar wij wezen moesten. Het was tijd: drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen zolen meer.

Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld; het is een stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe strekken zich een/ reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey een geheel vormen, Blonay Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet, Montreux, Veyteaux, Chillon.

Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar een engelsche dame met haar zieken zoon en een stom meisje, het bleek ons een nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden bewoond door vele engelsche heeren en dames, en men kent hen evenmin als in de omstreken van Londen. Het best was dus zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven, waar vreemdelingen konden wonen.

Dit was dan ook eigenlijk niet zoo moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodieën te spelen. Op één dag hadden wij een aanzienlijke som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan.

Den anderen morgen zetten wij onze nasporingen in den omtrek van Vevey voort en gingen maar altijd verder, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen, of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd.

Toch waren wij van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan. ' . .

Dien dag wekte men een valsche hoop bij ons op door ons te zeggen, dat men de dame, waarover wij spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis in het gebergte en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van het meer woonde. Het waren ook engelsche dames, die aan het meer in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan.

Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben, verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt niet ontmoedigd Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan weer paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof lucht en hcht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door het geopende traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en struiken; en in groen verscholen lag daar een fraai huis of een bevahige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het meer en zijn omlijsting van bergen. Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat zeer vermoeiend is. wanneer men van den vroegen morgen tot den laten avond daartoe verplicht is. . .

Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er slechts een hek en achter ons een muur, waarop wij geen acht sloegen. Ik had het eerste couplet gezongen van mijn napohtaansch lied en zou het tweede couplet beginnen, toen wij achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van den

Sluiten