Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op. _ ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zei hij; ik zal den landauer laten inspannen.

— Dat is een goed idéé; in het terugrijden zult gij over Christina zitten. Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde ik mij

tot mijn moeder. KSjÉI

— Ü ziet, dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt; dat beteekent iets. — Dat beteekent zeer veel. *

Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijn moeder, en terwijl ik haar handen greep, die ik kuste, zei ik in het Fransch, de taal, waarvan ik mij altijd bediende als ik met innigheid, als haar kind, tot haar spreken wlde.

— Lieve moeder, het moet u geen zorg baren, dat Arthur Christina bemint. | Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten en een goed huweHjk is in het oog der menschen een huwelijk, dat geboorte en rijkdom yereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg, dat men gelukkig kan zijn,' zoo gelukkig mogelijk, zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst en rijk is? Zoudt gij Arthur niet even gelukkig willen zien als mij? De zwakheid die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang had betreurd, zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander?

Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.

Gij zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat van

liefde bewaart gij in uw hart!

— Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in staat een plaats te bekleeden in de meest eischende kringen?

— Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia.

— Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.

— Heeft Arthur u gesproken van zijn genegenheid en van zijn wenschen? — Ja, beste moeder, zei ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij gewend als hoofd van de familie.

— En het hoofd van de familie? — Heeft hen zijn steun beloofd. Mijn moeder viel mij hier in de rede.

— Daar is uw vrouw, zei ze; over Arthur zullen wij later spreken.

Mijn vrouw — gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet te zegge* nietwaar? — mijn vrouw is het meisje met die groote verwonderde oogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lize, de kleine, tengere, fijngevormde Lize. Zij is niet stom meer, maar zij heeft gelukkig de slankheid en tengerheid behouden, die aan haar schoonheid iets hemelsch geven. Lize heeft mijn moeder niet verlaten, die haar onder haar leiding heeft doen opvoeden en onderwijzen, en zij is een schoone jonge maagd geworden, voor mij begaafd met de volmaakste eigenschappen en de grootste deugden— want ik heb haar lief. Ik heb aan mijn moeder gevraagd mij haar tot vrouw te geven, en na een levendige tegenkanting, die vooral gegrond was op het verschil in maatschappelijken stand, kon mijn moeder toch niet blijven weigeren. Eenige onzer bloedverwanten waren er zeer boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn er drie reeds teruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de lieftalligheid van Lize, en de vierde wacht ook slechts om zich te bekeeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij hem Onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat bezoek is o» morgen bepaald. — Wel, zei Lieze, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men verbergt zich voor mij; men spreekt in het geheim; Arthur is naar het station van Chegford gereden; de break is naar Ferry gezonden. Wat is er toch voor een geheim?

Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord. Toen sloeg zij haar sra om den hals mijner moeder en terwijl zij ze teeder omhelsde, sprak zij:

— Nu u in 't geheim is, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben van

Sluiten