Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nauwelijks had de derde tik in de stilte van den nacht op de zware deur weerklonken, of deze opende zich vanzelf en Jan trad een nauwe gang binnen, van waar men de deur van het laboratorium kon zien.

Tolbach verscheen in de opening van deze deur eh de jongen kon nu den man opnemen, die hem tot nu toef slechts een schim, een bovennatuurlijk en duivelachtig wezen had geschenen. In zijn bleek verwrongen gelaat schitterden die zwarte oogen, die de jongen in de bibliotheek gezien had. ^

De geleerde was gekleed in een lange witte jas, die zijn haren-nog zwarter schenen te maken, dan zijn oogen. Den jongen ziende, begon hij echter te glimlachen en wenkte hem binnen te komen.

Jan kwam in een groot vertrek, dat de geheele beneden verdieping van het huis besloeg. Het voornaamste meubelstuk was een buitengewoon groote tafel, bedekt met boeken en papieren, terwijl hier en daar eenige stoelen stonden.

Eén der wanden was van boven tot beneden door boekenstelhngen in beslag genomen, voor de anderen stonden tafeltjes vol met alle mogelijke fleschjes en retorten. Kortom het geheel gaf den indruk van een inrichting, waar wetenschappelijke onderzoekingen verricht werden. Op den grond lagen rieten matten en in een hoek stond een groot electrisch fornuis.

Het was dat helsche vuur, dat met een spookachtigen glans het groote venster verlichtte, waarvoor Jan den geleerde vanaf de schutting voor de eerste maal gezien had.

De geleerde begon niet dadelijk te spreken ; hij het den jongen eerst de gelegenheid om bescheiden rond te kijken. Na verloop van eenigen tijd nam hij het woord :

„Je bent gekomen", zeide hij, „en daar heb je goed aan gedaan".

„Ja", antwoordde de jongen, „ik ben gekomen, omdat ik weten wilde, wat U eigenlijk, verborgen als een dief in het huis van den kolonel von Gloecken uitvoert".

De gek kon een beweging van verbazing niet onderdrtikken.

Sluiten