Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ben je dan een vriend van dien fnan ?" zeide hij.

De jongen keek den geleerde vol in het gezicht en antwoordde trotsch :

„Een Franschman kan geen vriend van een Duitscher zijn".

„Welnu, wat gaat,het je dan aan, wat ik bij hem uitvoer ?"

Jan wist eerst niet goed, wat hij op deze vraag moest antwoorden. Bovendien viel het hem moeilijk zijn gedachten in tegenwoordigheid van den geleerde uit te drukken. Hij kon den blik uit die stalen oogen niet verdragen en had het gevoel van een beschuldigde, die voor zijn rechter staat.

Tolbach begreep onmiddellijk, wat er in den jongen omging. Hij was zich volkomen bewust van de macht, welke hij over den jongen bezat. Hij kon een glimlach van voldoening dan ook niet onderdrukken.

„Komaan", zeide hij, den jongen de hand toestekende, „je moet mij niet tegenwerken".

De kleine electricien maakte een beweging van onmacht.

„Oh L" zeide hij, „ik weet zeer goed, dat U veel sterker bent dan ik".

„Ja", hernam Tolbach met nadruk, „ik ben veel sterker dan jij en nog sterker dan anderen, die nog veel sterker

zijn. Van kinds al aan.heb ik altijd gewexkt, gezocht

De wetenschap heeft voor mij de meest geheimzinnige raadselen opgelost, ik weet dingen, welke de grootste geleerden niet weten.

Een vraag zweefde op de lippen van Jan, maar hij' durfde deze niet uitspreken.

„Wat voor nut heeft U van al die kennis, waarop U zoo trotsch bent ?" wilde hij vragen, „wat voor gebruik maakt U daarvan ? Wat bent U eigenlijk ?"

Het was niet noodig deze vragen te stellen. Tolbach had reeds de gedachte van den knaap geraden, want zijn doorborende oogen keken strak in die yan den jongen en schenen zijn gedachten te lezen, als een open boek. Uit zichzelf gaf hij antwoord op de onuitgesproken vragen van Jan.

Sluiten