Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat boffen die lui, die daar ginds zijn en die nu bun land kunnen verdedigen,.... wanneer gaan wij, Moeder ?"

Op deze vraag antwoordde Mevrouw Robin steeds :

„Spoedig.... heb maar wat geduld", iets wat den knaap echter niet veel hoop gaf.

„Oh !" zeide hij op dezen bewusten morgen schertsenderwijze, „als U nu nog geen besluit kunt nemen, dan zal ik wel alleen moeten gaan".

Op deze woorden verbleekte de arme vrouw.

„Wat ben je toch een stijfkop", zeide zij, want ze begreep eensklaps wat voor plannen hij had, „maar dat zal je niet doen...."

„Weineen, Moeder, weineen\" antwoordde Jan, het was maar een grap. Maar U zult het met mij eens zijn, dat het alles behalve prettig is, wanneer je duizenden kilometers van Frankrijk af bent, te hooren, dat je land in gevaar verkeert."

Het gesprek eindigde hiermede en Jan ging naar de fabriek zijn gereedschappen halen, om zich dan naar het huis van den kolonel te begeven. , \,

Hij móest, ook volgens zijn pelofte van den vorigen avond, een blauwen werkmanskiel van de werkplaats medenemen om dien naar de afgesproken plaats op den hoek van de Paseo de Julio en van de Callaostraat tebrengen.

Zooals overeengekomen, gingen Jan en Tolbach, de laatste gestoken in den blauwen kiel, naar het paleis van den militairen attaché.

Het was klokslag negen, toen zij aanbelden. De portier deed hen open en zonder eenig teeken van achterdocht te geven het hij den jongen en zijn metgezel door.

Toen beiden goed en wel in de werkkamer van den kolonel, die inderdaad, zooals Jan gezegd had, afwezig was, aangekomen waren, kon Jan zijn ongeduld om achter Me plannen van Tolbach te komen, niet langer verbergen.

Hij bestormde dezen met een vloed van vragen.

„In de eerste plaats", zeide hij, „moet u mij uitleggen, waarom U vandaag mijn hulp noodig had om in het paleis door te dringen. U bent bier toch reeds meer geweest, want ik heb U zelf op een dag in dien koffer gevonden".

Sluiten