Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOODFSTUK XI.

De identiteits-armband.

Toen Jan weer tot bewustzijn kwam, lag bij in een goed bed. Zijn hoofd deed hem pijn en met zijn hand daaraan voelende, bemerkte hij, dat het verbonden was.

Waar was hij ? Hij wierp een vluchtigen blik om zich heen en zag andere bedden, waar omheen verplegers in witte jassen stonden. Het vertrek had, in plaats van ramen, patrijspoorten.

Bhjkbaar bevond hij zich dus in een scheepshospitaal. De .Frisia" was vergaan. Aan boord daarvan kon hij dus niet zijn, dan moest het wel de „Kaiser Wilhelm der Grosse"

zijn. .

Zonder zich veel te bewegen, ten einde met de aandacht van de verplegers te trekken, trachtte de jongen zich te herinneren, wat er met hem voorgevallen was. Hij "beproef de zijn gedachten te verzamelen en zich rekenschap te geven, wat er gebeurd was, nadat hij dien slag op zijn hoofd gekregen had.

Opeens herinnerde hij zich alles weer, maar tegelijkertijd kwam ook weer het Verdriet en zelfverwijt in hem op.

Zijn moeder ! Waar was zijn moeder ? Was zij verdronken ; had hij haar nu voor altijd verloren? Hij wist, dat hij haar had moeten loslaten op het oogenblik, dat men hem bewusteloos sloeg. Hij was gered, maar zijn arme moeder was zeker door de golven verzwolgen met zooveel andere passagiers van de „Frisa". '

Oh ! wat had de jongen een spijt, dat hij zooveel ver-

Sluiten