Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat men de gebeurtenissen van den vorigen dag besprak : den aanval op de „Frisia" en haar vergaan.

Plotseling begon hij te beven. In het midden van den • kring officieren herkende hij den kolonel von Gloecken in uniform.

„Verduiveld" !, zeide hij, „als hij mij ziet, ben ik verloren ! Hij kent mij, hij heeft mjj genoeg gezien in al die weken, dat ik bij hem in zijn-paleis gewerkt heb en hij zal wel gauw zeggen, dat ik niet Otto Becker ben maar Jan Robin.

.... Wat moet ik nu doen Het beste zal zijn maar naar

de ziekenbarak terug te gaan. De kolonel zal daar misschien wel niet komen en dan zit er niets anders op dan er te blijven, totdat wij aan land zijn".

Na dit voorzichtig besluit genomen te hebben verborg hij zich zoo goed mogehjk achter een sloep, zoodat hij de officieren kon zien en hooren, zonder door hen te worden opgemerkt.

Maar wat was dat; hij hoorde een gezaghebbende stem, die hij zeer goed kende, uitroepen :

„Het valt niet te ontkennen, Kapitein, dat ondanks de voorzorgsmaatregelen, U mij bij de beschieting van de „Frisia" bijna had laten verdrinken".

De aldus aangesproken officier scheen onthutst, en verlegen antwoordde hij von Gloecken:

„Oh ! Prins, wat ik U verzoeken mag, herinner mij niet meer aan de zware verantwoordelijkheid, die ik op mij geladen zou hebben, wanneer door mijn bevelen een zoo kostbaar leven als het Uwe voor het vaderland verloren was gegaan. Er is slechts één verontschuldiging voor mij : de vuurpijl, die mij het sein moest geven voor den aanval, was opgelaten".

De militaire attaché reikte den officierde hand en zeide:

„U heeft gelijk, Commandant, ik heb zelf den vuurpijl opgelaten en U had dus niets anders te doen dan de U gegeven bevelen uit te voeren".

De kapitein drukte eerbiedig de hand van zijn meerdere en hernam :

„U kunt niet weten, hoe aangenaam het voor mij is dat te hooren. Uw Excellentie weet beter dan iemand

Sluiten