Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cier uitgeduid. Dit huis had inderdaad een zoo rustig en verlaten voorkomen, dat niettegenstaande hij gewaarschuwd was, hij er nooit aan gedacht zou hebben, dat dit de verblijfplaats van den zoon des keizers zou kunnen zijn.

Na eenigen tijd oplettend te hebben uitgekeken, zag hij eindelijk een soldaat, die door een kelderraam uit de aarde scheen te komen. Zich tot den man wendende, vroeg hij hem of zijn meester de prins, kolonel von Gloecken ook daar was.

Zonder eenig wantrouwen tegenover den jongen matroos te toonen, antwoordde de soldaat, dat de kolonel den vorigen dag per automobiel was aangekomen".

„Mooi !" riep Jan. „Wilt U mij dan bij hem brengen ?"

De soldaat krabde zich achter het oor.

„Ja", zeide hij, „dat gaat hier zóó maar niet".

„Maar als ik U zeg, dat ik de oppasser van den prins '"ben en dat hij mij verwacht. Wanneer U mij niet gelooven wilt, kunt U hem eenvoudig zeggen, dat Otto Becker aangekomen is, die, na gelukkig ontkomen te zijn aan die smerige Franschen, zich komt melden".

Eenigszins onder den indruk van deze zoo nauwkeurige inlichtingen bromde de soldaat iets, waaruit de jongen opmaakte, dat hij probeeren zou hem bij den kolonel te brengen.

Daarna Wees hij met den vinger naar den ingang van een soort kelder, rechts van het gebouw.

„Daar", zeide hij, „komt men naar het gedeelte van het huis, bewoond door den kroonprins en zijn gevolg".

„Bah !" zeide Jan, „ze wonen dus in de kelders ?"

„Ja", antwoordde de soldaat, „maar ik moet zeggen,dat deze kelders, die geheel onder den heuvel waarop het huis gebouwd is, doorloopen en zeer groot en geriefelijk zijn. De eigenaar was wijnhandelaar en de ruimten dienden hem als opslagplaats voor zijn goederen. Dat is de reden, waarom onze Fritz dit huis voor zichzelf en zijn vrienden heeft gekozen".

Daarna hoe langer hoe vertrouwelijker wordende, voegde de man er aan toe :

Sluiten