Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lag een stafkaart, bedekt met kleine vlaggetjes, te slingeren.

Deze kaart scheen voor het oogenbhk meer dienst te doen als tafellaken, dan als hulpmiddel bij de studie van het terrein. Bij den eersten oogopslag herkende de jongen den kroonprins, wiens mager en slank figuur genoegzaam bekend was geworden door de afbeeldingen in de geillustreerde bladen.

Bovendien droeg hij nog het zwarte uniform der Doodskop-Huzaren, terwijl alle officieren van zijn. omgeving in „feldgrau", dat wil zeggen, grijs uniform gekleed waren.

De eenigste verandering, welke de troonopvolger in zijn kleeding met het oog op den oorlog gebracht had, was dat hij de eenigszins opzichtige schako van dit regiment, waarop zooals men weet, een doodskop met twee gekruiste beenderen prijkt, vervangen had door een gewone militaire pet.

De valsche kolonel, Jan, die onbewegelijk dicht bij de deur was blijven staan, daar hij niet durfde binnenkomen, ziende, stond op en kwam naar den jongen toe. „Zoo ! ben je daar", zeide hij, .„ik begon mij al ongerust te maken ... .hoe komt het, dat je zoo lang werk gehad hebt mij te vinden ?"

De jongen antwoordde op gedempten toon, dat deze plaats hem niet geschikt toeleek, om zonder gehoord te worden, te kunnen spreken. De geleerde van oordeel zijnde, dat de jongen gelijk had, zeide hem op den weg aan het einde van het dorp op hem te wachten. Hij zou probeeren onder een of ander voorwendsel den kroonprins te kunnen verlaten en zou hij zich daar dan bij Jan voegen.

Inderdaad zag Jan hem ongeveer een half uur later, tot zijn groote voldoening, op de aangegeven plaats komen. Hier konden zij, te zamen loopende, elkaar hun verschillende wederwaardigheden vertellen.

Jan begon met de oorzaak van de vertraging in zijn komst uit te leggen. Hij sprak in het kort over de bom, welke midden in de patroulle terecht gekomen was en van zijn geluk er heelhuids te zijn afgekomen.

Tolbach luisterde afgetrokken, zonder dat er een woord

Sluiten