Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tolbach glimlachte met een op bewonderenswaardige wijze voorgewende minachting.

„U bent toch niet van plan' , zeide hij, „de zware verantwoordelijkheid, die op uw schouders rust, op den jongen te schuiven, door hem van zoo iets te verdenken?"

De officier stond te stampvoeten van ongeduld. Geen oogenblik waren zijn oogen Van de pendule af, waarvan de wijzers gedurende dit gesprek onverbiddelijk bleven doorloopen.

„Ik verdenk niemand", zeide hij, „maar ik weet zeker, dat ik het slachtoffer ben van een handig in elkaar gezetten diefstal. ... Ik smeek U prins, help mij. Ik heb op het oogenblik geën tijd langer over deze zaak uit te weiden, mijn minuten zijn geteld, maar ik bid U laat .onmiddelijk den kleinen matroos hier komen en stel mij m de gelegenheid hem te ondervragen".

Toen Jan deze woorden hoorde, was hij op het punt zijn schuilplaats te verlaten en naar den officier te gaan, maar een blik uit Tolbach's oogen maakte, dat hij als vastgenageld achter den ezel bleef staan.

„Duitenant"! zeide de valsche kolonel. „Ik wil met U mede gaan •haar de kaartkamer, waarin het tooneel, waarop U gezinspeeld heeft is voorgevallen. Ik zal mijn matroos laten halen en wij zullen zien of er eenige kans bestaat de order terug te 'vinden".

„Daten wij dan dadelijk gaan"! zeide de van ongeduld kokende officier.

Zij verheten het vertrek zonder dat de luitenant de aanwezigheid van den zich zorgvuldig achter den ezel schuil houdenden jongen had bemerkt. In zijn kwaliteit van commandant van het* kasteel droeg de valsche kolonel den sleutel van de kaartkamer in zijn zak.

Persoonlijk opende hij de deur van het vertrek en wankelend als een ter dood veroordeelde hep de officier, de kamer binnen. Zich tot den man wendende, zeide Tolbach bedaard:

„Zoek, waar gij wilt, ik zal den matroos gaan halen, want het is niet noodig, dat nog meer personen in deze zaak gemengd »worden".

Sluiten