Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste paar dagen, dat er iets bijzonders aan de hand was.

„Mein Gott !" riep de dikke Carl, oppasser van den generaal, op Jan wijzende uit: „onze matroos ziet er vanmorgen heel opgewekt uit".

Daarna familiaar den jongen op den schouder kloppende, vroeg hij :

„Heb je soms van je meester goed nieuws gehoord ? Zullen wij spoedig die vervloekte Franschen flink te lijf gaan ? Ik moet bekennen, dat ik er niet rouwig om zal zijn, want ik begin knapjes naar huis te verlangen".

Jan*glimlachte geheimzinnig en zeide : \

„Ja, jongens, ik geloof, dat wij binnenkort goed nieuws zullen hooren : onze troepen zullen gauw in Verdun zijn".

Deze vertrouwelijke mededeeling werd met geestdrift ontvangen door alle oppassers en om den jongen daarvoor te bedanken bracht de kok hem een grooten kop heerbjke dampende koffie.

Na vlug zijn ontbijt gebruikt te hebben, hep Jan, om den tijd, welke er verloopen moest vóór TolbaCh van het hoofdkwartier terugkwam, te dooden, in de richting van het station.

Daar had hij tenminste de kans het een of ander belangwekkende schouwspel te zien.

Verscheidene malen reeds was hij daar geweest op het oogenbhk, dat groepjes Fransche gevangenen voorbijtrokken en hij was dikwijls in de gelegenheid geweest zijn landgenooten wat te eten te geven, want deze ongelukkigen 'stierven bijna van honger.

Juist toen hij het perron van het kleine station opliep, vertelden de Duitsche soldaten, die daar op wacht stonden, dat er zooeven een trein met Russische krijgsgevangenen was aangekomen. ,

Een hunner voegde er z"elfs met een grijnslach aan toe :

„Als je je vermaken wilt, kleine matroos, dan moet je eens langs de loodsen gaan loopen en je zult kunnen zien, hoe wij die „moujiks" laten dansen". ' In de hoop, die ongelukkige gevangenen een dienst te kunnen bewijzen, volgde Jan dezen raad op.

Hij behoefde niet ver te gaan, want achter een der

Sluiten