Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heeft U nog iets noodig ?"

De geleerde wees met zijn vinger naar den koffer, dien' Jan op eenige passen afstand staande, nog altijd in zijn hand had.

„Ik heb alles, wat ik noodig zou kunnen hebben, medegebracht, Generaal". „God behoede U".

Von Kautnitz verbet langzaam de grot, in het voorbijgaan de aangetreden wacht inspecteerende.

Zoodra de meerdere zich verwijderd had, wenkte Tolbach den Feldwebel naderbij te komen en zeide hem :

„Gaat met Uw manschappen een eindje verder staan. Wanneer ik U roep, kunt U weer terugkomen. Zorg er echter voor, dat U niet al te ver hier vandaan gaat".

„Tot Uw orders, Excellentie", y;

Eenige minuten later waren de valsche kolonel en Jan alleen in de grot. Dadelijk opende de geleerde den handkoffer en haalde de langwerpige doozen te voorschijn en zeide den jongen :

„Graaf bij den voet van den pilaar een gat, opdat ik deze doozen daarin kan verbergen".

Binnen enkele minuten had de jongen met behulp van zijn mes en een potlepel, welke door de wacht gebruikt werd, op de aangewezen plaats een gat gegraven, groot genoeg voor de doozen. Tolbach plaatste deze daarna in het gat, bevestigde de telefoondraden, die hij uit het brihenhuisje te voorschijn haalde er aan en maakte eindelijk het kleine doosje in den vorm van een horloge daaraan vast.

Op deze wijze zou het onmogelijk zijn voor een oningewijde te kunnen zien, dat hier een telefoon was opgesteld. Tolbach, gewoon aan alles te denken, brak een paar takken van een der kleine boompjes dicht bij den ingang af en maskeerde hiermede bovendien nog de plaats zooveel mogelijk.

* „Met behulp hiervan", zeide hij, „kun je altijd de plaats terug vinden, waar de telefoon zich bevindt. Geef mij nu de Fransche7 uniform, want die moet ik aantrekken". Jan was behulpzaam bij de verandering van den Duit-

Sluiten