Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op te rapen. Groot was echter zijn schrik, toen hij langs Tolbach loopende, deze ineens woedend hoorde uitroepen:

„Zeg eens ! Wat doe je doar, vervloekte jongen", brulde hij, „kun je niet wat voorzichtiger zijn. Zie je dan niet, dat je mijn pantalon verkeerd opvouwt".

Jan begreep er niets van en stamelde :

„Maar...."

„En durf je mij nu nog tegenspreken ook !" vervolgde de valsche kolonel. „Het is goed ik begin nu langzamerhand genoeg te krijgen van jouw kletspraatjes ik zal

je straffen".

Daarna wendde hij zich zonder zijn plaats bij het begin der onderaardsche gang te verlaten, want hij was bang den telefoondraad in de war te maken, tot den commandant van de wacht en beval deze :

„Feldwebel, U moet op dezen matroos hier letten. Hij mag zich niet van dezen pilaar verwijderen. Hij blijft daar onder arrest, totdat ik terugkom. Ik'zal hem rapporteeren en hem een paar dagen politiekamer geven ! Begrepen ?"

„Jawel, Excellentie !" antwoordde de onderofficier.

Ook Jan had deze handig gebruikte aanmerking van den geleerde begrepen. Hij zou dus hierdoor in staat zijn op zijn plaats bij de telefoon te blijven. Goed in zijn rol blijvende, viel hij met een woedend gezicht op den grond doch zoo, dat hij juist met zijn oor bij de telefoon kwam!

Tolbach hep de onderaardsche gang in en de jongen volgde het bevende licht van zijn electrische lantaarn, dat langzamerhand flauwer en flauwer 'werd, om eindelijk geheel te verdwijnen.

Zoodra de soldaten er zeker van waren, dat hun chef uit gezicht was, begonnen zij vrijuit met elkaar te spreken, zooals men dat doet, wanneer men niet meer de dreigende blikken van een despotischen meerdere op zich gericht voelt.

„Het is toch een kranig stukje, dat de kolonel daar doet"' zeide een van hen. „Hij is niet bang uitgevallen om in die officiersuniform ndar de Franschen te gaan".

„Ik weet wel, dat wanneer ik kolonel was, ik niet op die manier mijn leven zou wagen", wierp een tweede in het midden.

Sluiten