Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarna dachten zij ineens aan den kleinen matroos, die daar zwijgend op 'den grond lag en scheen te slapen.

„Hé ! zeg jongen !" riep de Feldwebel, „die baas van

jou lijkt mij geen gemakkelijk heer legt hij je dikwijls

dergelijke straffen op ?"

Op deze woorden keerde Jan zich naar de soldaten, en voorwendende boos te zijn, antwoordde hij :

„Hij is een lamme vent, die baas van mij ! Je kunt het

hem nooit naar den zin maken ik wou dat ik maar

van dit baantje af kon en naar de school te Kiel terug kon gaan..

„Maar waarom vraag je het hem niet ?"

De jongen maakte een beweging van onmacht.

„Ik heb sinds mijn terugkomst uit Argentinië alles geprobeerd, om het gedaan te krijgen, maar tot nu toe is het mij niet gelukt. Hij zegt naar, dat hij geen enkele soldaat aan het leger wil onttrekken en daarom gebruikt hij mij als oppasser,... Oh ! jongens, als julhe eens wisten, hoe beroerd of ik het heb !"

De geveinsde wanhoop van den jongen was zóó natuurlijk en hetgeen hij zeide was zoo begrijpelijk, dat al de soldaten der wacht dadelijk met den jongen meevoelden en medelijden met hem kregen. De Feldwebel kwam hem op den schouder kloppen en zeide troostend :

„Ik zal je straf zooveel mogelijk probeeren te verzachten. Je krijgt om te beginnen van mij straks een lekker keteltje soep".

„Dank 'u wel !" zeide de jongen.

„Zal ik je een beetje stroo geven om op te liggen ?"

„Doet U dat maar niet", antwoordde hij angstig, „want als de kolonel onverwacht terugkomt en hij ziet dat, zullen U en ik beiden tegen de lamp loopen".

„Ah !" zeide een der mannen, terwijl hij zijn groote porseleinen pijp opstak, dat soldaatje spelen is niet altijd prettig en daarbij komt nog, dat er aan dien vervloekten oorlog geen einde schijnt te komen".

De onderofficier meende dat het zijn „phcht was om onmiddellijk een einde aan het gevaarlijk gesprek te maken.

Sluiten