Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Genoeg Frantz", riep hij ruw uit. „Maak je klaar, het is jouw beurt om te schilderen".

Zonder verder iets te zeggen, gehoorzaamde de soldaat, hij sprong van de tafel, waarop hij zat. Schoorvoetend ging hij zijn geweer, dat tegen den mut* van de grot stond, halen.

Op dit oogenbhk voegden zich twee mannen bij de wacht. „Heb julhe het nieuws niet gehoord ?" zeide een van hen, zich van zijn ransel en wapens ontdoende „Nè*en !"

„Een wagen beladen met Schnaps (brandewijn) is ongeveer vijfhonderd meter van hier bhj ven steken. Een van de wielen is gebroken".

Bij deze woorden hfef de Feldwebel, die in een stuk courant zat te lezen, belangstellend het hoofd^ op.

„Wat zeg je, een wagen met Schnaps? Waarom

heb je niet eenige fiesschen meegebracht ?"

„Daar was /geen kijk op ! De voerman moest er niets van hebben ".

„Je bent een ezel \" zeide de onderofficier zonder verder aan te dringen.

Maar aangemoedigd door dit gezegde kwam de man op den Feldwebel toe en zeide glimlachend :

„Op het oogenbhk is de voerman weg om hulp te gaan halen, zoodat niemand bij den wagen is. Wanneer U wilt

kan iemand een paar flesscheh gaan halen "

De Feldwebel deed alsof hij zeer verent waar digd was. „Het schijnt wel of je gek bent, kerel", zeide hij. Stel je voor, dat juist op dat oogenbhk een officier de ronde komt doen. Hij zal natuurlijk de manschappen tellen en dadelijk zien dat er één mankeert. Wie gaat er dan de doos in, denk je ? Ik natuurlijk".

Na deze verklaring van den onderofficier, waarvan iedereen wist, dat zij volkomen juist was, volgde een stilte. Zij wisten, dat de discipline stipt gehandhaafd werd en het voortdurend toezicht van een eindelooze reeks van meerderen op de wachten maakte, de zaak gevaarlijk.

De verleiding was echter buitengewoon groot en het vooruitzicht zich te goed te kunnen doen aan den brande-

Sluiten