Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij door de Franschen als gevangene behandeld werd, had hij tot. nu toe niet durven telefoneeren.

„Hallo \" zeide hij met luider stem, zooals de kolonel bevolen had. „Hallo Jan.... ben je daar ?|f

Nauwelijks had hij echter deze woorden uitgesproken öf hij het de telefoon met een wanhopig gebaar uit zijn handen vallen. In plaats van de stem van den jongen hoorde hij niets dan een zwaar gesnork.

„Oh l" riep hij uit, er moet daarginds iets onbegrijpelijks voorgevallen zijn".

De kolonel nam den hoorn onmiddellijk op. Ter nauwernood had hij dezen aan zijn' oor gebracht of hij riep rood van woede uit :

„Maar men spreekt Duitsch ! Ik hoor niets anders dan : „niein Gott, mein Gott. Wat beteekent deze aardigheid, mijnheer \" •

Tolbach luisterde op zijn beurt.

„Ik begrijp er niets van", zeide hij angstig, „ik moet wel aannemen, dat de jongen, die door mij aan het andere einde van den draad achtergelaten werd, op de een of andere wijze genoodzaakt is geworden van het toestel weg te gaan".

De kolonel nam weder een strenge houding aan.

„Nu", zeide hij, „als dat al de bewijzen zijn, die U mij kunt geven om mijn vertrouwen te winnen, dan is het niet veel bijzonders. Ik zie in U slechts een deserteur, die van den vijand komt, gekleed als Fransch officier, want ook Uw verhaal omtrent de gestolen persoonlijkheid is weinig geloofwaardig. U is niets anders dan een spion, wiens opzet mislukt is Wij zullen U dan ook als zoodanig behandelen".

De geleerde had zijn bedaardheid herkregen en zonder eenige Vrees te toonen voor de bedreigingen van den officier antwoordde hij kalm :

„Het zij zoo ! Doet met mij, wat U wilt; ik heb mijn phcht willen doen, maar ben helaas niet geslaagd. Ik geef U echter in overweging, kolonel, om U in acht te nemen voor die onderaardsche gang, de ingang daarvan bevindt zich op ongeveer 300 Meter van hier achter den grooten

Sluiten