Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je bent eindelijk teruggekomen ?" zeide hij. „Waarom was je niet aan de telefoon ? Wat gebeurt daar ?" Duidelijk hoorde hij de antwoorden op deze vragen. „Ik kan geheel vrij met U spreken", zeide Jan, „want alle manschappen van de wacht zijn stomdronken, zij hebben mij uitgezonden om drank te halen en daarom heeft U geen gehoor kunnen krijgen".

Tolbach wist genoeg. Hij riep den kolonel en hem den hoorn overhandigende, zeide hij :

„Wilt U nu luisteren, kolonel en U zult hooren, dat ik U niet misleid heb".

De ufficier gaf gevolg aan dit verzoek en hoorde de volgende woorden :

„Patroon, de heele bende is zoo dronken als een tol. Bah! wat een misselijke kerels. Bent U bij dè Franschen

U bent toch niet van plan daar te blijven "

De stem van den jongen werd zachter en op gedempten toon ging hij voort:

„De Feldwebel wordt wakker. Er schijnt een patrouille op komst te zijn. Een menigte manschappen en materiaal wordt voor de grot bijeengebracht. Er worden zelfs rails en wagens aangevoerd voor een veldtrein. Iedereen spreekt van een op handen zijnden aanval door de onderaardsche gang. Men wacht op U Ik moet hier eindigen, de generaal met zijn officieren zijn aangekomen U moet zoo

gauw mogelijk terugkomen".

Men hoorde niets meer door het toestel, maar dit was pok niet noodig,

De proef was geslaagd en het bewijs geleverd. Den hoorn op de tafel leggende, begon de kolonel den deserteur op een geheel anderen toon dan hij tot dusverre gedaan had, te ondervragen :

„Zonder twijfel", zeide hij, „was er een Fransche jongen aan het andere einde van de telefoon. Zijn woorden schij- ' nen overeen te komen met hetgeen U mij heeft verteld. Ik ben dus niet ongenegen aan Uw verlangen tegemoet te komen".

„U wilt mij dus alle hulpmiddelen verschaffen om een mijn te leggen ?"

Sluiten