Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

De slachting.

Men kan zich de vreugde van Jan voorstellen, toen hij tegen vijf uur in den avond, de commandant van de wacht „In 't geweer" hoorde roepen, op het oogenblik dat deze den kolonel van Gloecken uit de onderaardsche gang zag komen.

In de eindeloos lange uren, die hij op den grond liggende, bij den pilaar had moeten doorbrengen met den hoorn van de telefoon aan zijn oor, ingespannen luisterende naar het geluid van de stem van zijn meester, waren allerlei angstige gedachten bij hem opgekomen.

Als Tolbach eens niet terugkwam, als de Franschen hem niet weer los zouden willen laten, wat zou er dan van hem worden, alleen, zonder beschermer, bij de Duitschers ?"

Zoodra hij niet meer op de macht van den valschen kolonel zou kunnen rekenen, om elk gevaar, waarin hij verkeerde, af te wenden, zouden de Duitschers natuurlijk heel gauw achter zijn ware persoonlijkheid komen. Zij zouden hem natuurlijk dadelijk laten fusileeren of misschien wel in de gevangenis brengen, wat per slot van rekening veel erger zou zijn.

Wat zou er dan terecht komen van al zijn heerlijke droomen over zijn terugkeer naar Frankrijk en de roemrijke daden, die hij ten uitvoer had willen brengen. Hij was er ten volle van bewust, dat hij alleen tot niets in staat zou zijn.

Maar, gelukkig, daar kwam hij terug. Trotsch en fier

Sluiten