Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond hij in zijn uniform van Fransch kapitein voor die aangetreden leelijke onbeweeglijke soldaten.

De eerste gedachte van Jan was, naar Tolbach,toe te loopen en hem te vragen, hoe de Franschen hem hadden ontvangen.

Bijtijds wist hü/zich echter te bedwingen, want een dergelijk optreden zou in het bijzijn van de soldaten der wacht' méér dan onvoorzichtig zijn geweest. Hij herinnerde zich, dat hij bij de Duitschers moest doorgaan voor den kleinen ongelukkigen bediende, die slecht door zijn meester behandeld werd.

Net als zij, nam hij de militaire houding aan, en wachtte totdat de valsche kolonel een voorwendsel gevonden zou hebben, om met hem mede te gaan naar een plaats, waar zij vrijuit met elkaar zouden kunnen spreken, ver genoeg verwijderd, om niet door onbescheiden ooren gehoord te worden. Tolbach, die geen spier van zijn gelaat vertrok, wachtte dan ook niet lang met hem dit voorwendsel te geven

Hij liet de wacht inrukken en gelastte één der soldaten een automobiel voor hem te gaan halen. Daarna op zijn oppasser toeloopende, vroeg hij den sergeant:

„Heeft mijn ordonnans mijn bevelen opgevolgd ?"

„Jawel, Excellentie, hij is niet van de plaats weggeweest, zooals U hem bevolen had".

„Goed !"

Zich toen tot den matroos wendende, zeide hij :

„Ik hoop dat dit een goede les voor je is geweest en dat je een volgenden keer beter op je tellenzultpassen, ventje !"

Ruw gooide hij Jan zijn kapotjas toe, terwijl hij er streng aan toevoegde :'

„Pak mijn koffertje op en volg mij".

De jongen gehoorzaamde, maar alhoewel hij brandde van verlangen om het verhaal van Tolbach te hooren, wist hij toch zijn gewone tegenwoordigheid van geest te bewaren.

Gebruik makende van de duisternis achter den pilaar en doende alsof hij druk bezig was de jas van zijn meester op te vouwen, rukte hij handig de telefoon en de draden uit den grond en stopte deze met de jas in deri handkoffer,

Sluiten