Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachten noodig hebben. Ik wil dus die twee uren, die mij nog resten, benutten om wat te slapen.

Daarna riep hij :

„-Jan, mijn deken".

De jongen ging het gevraagde uit de automobiel halen en bracht het bij zijn meester. Toen hij zich hier ingewikkeld had, zeide hij, zóó dat de andere aanwezigen dit konden hooren :

„Matroos, je gaat met ons mee.,.. jij zult zorgen voor

de verbinding met de, achterhoede het zal altijd één

man meer geven niet waar, Mijne Heeren ?"

De aldus geraadpleegde officieren konden niets anders dan daarmede instemmen. Toen alles geregeld was, trok Tolbach de deken over zijn hoofd, strekte zich op het kampbed uit en bewoog zich niet mêer.

Op deze wijze behoefde hij niet deel te nemen aan de vervelende en onaangename gesprekken der officieren maar het maakte bovendien een gunstigen indruk op hen,x want Jan hoorde hen zeggen, terwijl zij op zijn meester wezen: „Wat een man ! Met zulk een gevaarlijke onderneming in het vooruitzicht slaapt hij \"

„Zooals Turenne", wierp een ander in het midden. De twee uren verliepen voor Jan langzaam. Hij dacht niet aan slapen maar gebruikte zijn tijd om naar de laatste toebereidselen te kijken. Hij was nu weer gerustgesteld ; hij wist, dat hij aan de expeditie deel zou kunnen nemen en deze gedachte maakte hem zóó blij, dat hij wel van plezier zou hebben willen dansen, maar hij wist zich te beheerschen en zijn ontroering te verbergen.

De onderofficieren deelden onder hun mannen koffie vermengd met brandewijn uit, zooals gewoonlijk geshiedde vóór men ten strijde trok.

De veldkeukens waren op de open ruimten voor den ingang opgesteld en men kon in den nacht het schijnsel der vuren duidelijk waarnemen.

Men bracht ook hem zijn kop koffie, die hij op dronk. Het was afschuwelijk, maar het was lekker warm, want hij stond te klappertanden. Of het van de koude of van de ontroering kwam, zou hij niet hebben kunnen zeggen.

Sluiten