Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Arme jongen, wat móet er van hem worden, alleen bij de Duitschers, als hij tenminste niet gedood wordt bij de ontploffing ? Wat moet ik doen 1"

Tot groote verbazing der officieren en zelfs van de soldaten hep de aanvoerder zelf naar de gang, de mannen die hem in den weg stonden op zij duwende, en riep uit alle macht:

„Jan ! Jan !"

Maar niemand antwoordde op dit wanhopig geroep. Het eenige, wat men hoorde, was de echo van zijn stem. Heel in de verte was echter een hcht te zien ; daar zijn zij, daar is het verdwaalde bataljon, waarbij de jongen zich bevindt. Zou hij op tijd komen ? Het licht komt naderbij. Reeds kan men het stappen der manschappen hooren, het is'echter vier uur.

„Jan \" roept Tolbach nog eens.

Het was alsof deze kreet het sein was geweest voor een verschrikkelijke gebeurtenis. Op hetzelfde oogenbhk weerklonk een oorverdoovend geluid.

De grond scheen in de hoogte te komen om weer neer te vallen op de soldaten, die als het ware verpletterd werden. De rots, de groote rots werd in de hoogte gegooid en kwam juist terecht op het punt, dat Tolbach gewild had, dat wil zeggen, precies in het midden van de gang, die daardoor geheel werd afgefloten. £

De mannen, verrast door dezen geweldigen schok, schreeuwden van angst en pijn, want een regen van steenen en aarde kwam op hen neer, waardoor ze levend begraven

werden. -"'v*'

Het geheele gewelf van de groote ruimte, waann zij opgepakt waren stortte omlaag. Zij, die niet verpletterd werden, vlogen naar den uitgang en kwamen voor de rots te staan, die hun den weg versperde.

Deze ongelukkigen schreeuwden, smeekten, maar ten slotte hepen zij zich te pletter tegen de wanden der gangen.

De lampen waren uitgedoofd en in een bijna volmaakte duisternis speelden zich deze afgrijselijke tooneelen af. De kreten van pijn en woede vulden de geheele onderaardsche gang.

Sluiten