Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze enveloppe moest naar den burgemeester van Hamburg gezonden worden. Vóór zijn vertrek had de prins hem van het een en .ander op de hoogte gesteld en werd deze met de uitvoering van zijn laatste wilsbeschikking belast.

Daar de overledene geen naaste familiebetrekkingen had, vermaakte hij zijn geheele fortuin, dat vrij aanzienlijk was en twee millioen Mark bedroeg, aan verschillende hefdadige instellingen van zijn geboorteplaats.

Er waren echter eenige legaten voor kleine bedragen aan zijn neven, zijn bedienden en zijn oude voedster Johanna.

Een speciale bepaling in het testament was gewijd aan den kleinen scheepsjongen, Otto Becker, voor wien hij, zooals het luidde, een groote genegenheid had en wiens toekomst hij wilde verzekeren.

Daarom verzocht hij den bevel voerenden generaal van het legercorps te Etain ziclvhet lot van den jongen aan te trekken. De overledene had bemerkt, dat de jongen een specialen aanleg had voor werktuigkunde. 'fef^i

De clausule betrekking hebbende op den matroos luidde :

„Ten einde den kleinen scheepsjongen in de gelegenheid te stellen een schitterende carrière te maken bij den Duitschen vhegdienst, vraag ik hem onmiddeUijk bij mijn overlijden te plaatsen in de fabriek Esshausen. De directeur is een vriend van mij en ik ben ervan overtuigd, dat hij gaarne bereid zal zijn de vakopleiding, zoowel als de moreele opvoeding te leiden van Otto Becker, wiens vurig verlangen het is het vaderland als vhegenier te kunnen dienen. Een bedrag van 2000 Mark moet hem bij zijn meerderjarigheid worden ter hand gesteld. Bovendien machtig ik hem mijn groenen reiskoffer met de gekroonde G., die zich op mijn kamer in het hoofdkwartier bevindt, in bezit te nemen, alsmede de kist No. 123, die laboratorium-toestellen bevat. Deze zijn van geen waarde voor anderen, maar wel voor hem, aangezien ik hem, toen hij aan boord van mijn torpedojager te Buenos-Aires was de werking daarvan heb gewezen".

Sluiten