Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo", zeide zij na eenige oogenblikken, „ben jij het Otto Becker ? Ik dacht, dat je niet meer hier was".

Jan was echter niet in de stemming voor een praatje.

„Wat is er geworden", vroeg hij, „van al de dingen, die mijn meester hier achter gelaten heeft. Waar zijn al de kleeren, waar is de groene reiskoffer ?"

De oude vrouw maakte een wanhopig gebaar met haar armen.

„Oh ! arme jongen", zeide zij „alles is nu weg.... drie dagen na de begrafenis van den armen kolonel, zijn hier soldaten, zoowel als officieren gekomen, die mij zeiden, dat htm kameraad hun alles had nagelaten. Ik had geen opdracht gekregen en daar het mijn gewoonte is de officieren niet tegen te spreken, vooral niet in tijd van oorlog.... je begrijpt, niet waar, mijn jongen ? Het is mijn belang.... dus hebben zij alles onder elkaar verdeeld en meegenomen".

„Maar, dien groenen reiskoffer", hield Jan aan. „U kent dien toch, niet waar, wie heeft dien meegenomen ?"

De oude vrouw scheen zich een oogenblik te bedenken, schoof haar bril op haar voorhoofd en zeide eindelijk :

„Ja, ik herinner mij dien koffer, het was een mooie koffer, hè ! Hij is mij indertijd opgevallen door de sloten, die schijnbaar van goud waren eh ook de kroontjes, die boven de letters waren bevestigd". ^Jls

„Ja, juist, maar waar is die mooie koffer nu ?"

„Friedrich heeft hem meegenomen". •

Jan stond te stampvoeten van woede. Friedrich was de chauffeur van den kolonel en nu zou hij dus Friedrich moeten gaan zoeken. Haastig bedankte hij de oude vrouw, die overbluft was door de drift van den jongen en verliet het huis.

Den weg opsneliende, hield hij den eersten den besten soldaat, dien hij tegen kwam, staande en vroeg hem :

„Weet jij, waar Friedrich, de chauffeur van de 20ste sectie is ?" |

Twintig keer en aan twintig verschillende soldaten, moest hij deze vraag doen. Sommige heten hem gewoon staan, anderen antwoordden met een grapje, maar eindelijk kreeg hij een aanwijzing. De chauffeur Friedrich moest zich op-

Sluiten