Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden in de garage van automobielen, die de verbinding met de eerste loopgravenhnie aan den kant van Consentvoye ondèrhielden.

Dadehjk toog de kleine Franschman op weg. Hij wist dat het een wandeling van ongeveer tien kilometer was, maar niets kon hem weerhouden te gaan.

Hij moest en zou den koffer terugvinden. Het geluk was hem gunstig, want nauwelijks was hij op weg of eenige op een fouragewagen gezeten soldaten kwamen hem achterop rijden en in het voorbijgaan herkenden zij hem.

„Wel wat zullen wij nu belevenrdaar is de kleine matroos van den in de onderaardsche gang gesneuvelden kolonel", riepen zij uit.

„Waar ga jij zoo naar toe, jongen ?"

„Naar Cónsentvoye".

„Nu dan kun je met ons meerijden".

Hij klom op den wagen en onderweg kreeg hij tot zijn groote vreugde de bevestiging van de inlichting, die men hem had verstrekt. Friedrich was inderdaad bij den automobieldienst ingedeeld.

„In de garage aangekomen zag hij tot zfjn voldoening, dat alle wagens juist gereed stonden om op weg te gaan met een transport en was het dus heel gemakkelijk den man dien hij zocht te vinden. ;

Zoodra hij hem boven op den wagen zag zitten, begon hij hem luidkeels te ondervragen :

„Zeg, Friedrich-!.. 'K. Waar héb je mijn groenen koffer, dien je uit de kamer van den kolonel gestolen hebt ?"

Bij deze woorden scheen de soldaat niet bijster op zijn gemak te zijn. Hij wilde trachten met zijn wagen weg te komen om zoodoende een gesprek, dat op deze minder aangename wijze aanving, te vermijden.

Jan het zich echter niet zoo gemakkelijk van zijn stuk brengen. Dapper sprong hij op de treeplank, klom naast den bestuurder en zeide hem:

„Je zult onmiddellijk stoppen".

De man begon zich boos te maken.

„Kom ga weg ! Je bent gek, Otto !" riep bij uit, den jongen ruw op zij duwende, „Daat mij mijn dienst doen, ik

Sluiten