Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, Ma*ar Jan was niet bereid deze talrijke vragen te beantwoorden. Hij volstond met te herhalen :

„Ik moet luitenant von Stein hebben".

Toen besloot een der jonge mannen den jongen in te lichten.

„Von Stein ?" zeide hij, zijn pijp opstekende, „die is gisteren voor een maand naar de fabriek Esshausen gegaan, waar hij proeftochten met nieuwe toestellen moet doen".

Nauwelijks was deze zin uitgesproken of de aviateurs zagen den kleinen matroos in elkaar zakken en bijna bewusteloos op/den grond vallen.

Dit teleurstellend bericht te zamen met alle andere tegenslagen en de vermoeienissen van de laatste twee dagen waren te veel voor den jongen geweest.

Hij voelde zijn hoofd ronddraaien en zijn oorén begonnen te suizen.

Toen hij trachtte op te staan, weigerden zijn beenen hun dienst en hij bleef op de trappen van het gebouw zitten, terwijl dikke tranen langs zijn wangen stroomden.

Het was ook inderdaad te veel tegenspoed. Het scheen, alsof het noodlot hem achtervolgde en hem belette zijn doel te bereiken. Ten koste van hoeveel moeite, vermoeienis, en inspanning was hij niet hier gekomen. En ziet, op het oogenbhk dat hij aankomt en gelooft den man, dien hij zoekt te hebben gevonden, hoort hij, dat deze juist vertrokken is naar de fabriek waar hij zelf vandaan is gekomen.

Hij gaat na, dat het eenige wat hem te doen staat is, terug te gaan, dien eindeloozen weg opnieuw af te leggen, weer in dien vollen trein te gaan zitten om eindelijk terug te keeren naar Esshausen.

Zal hij daar nu eindelijk den bezitter van den groenen koffer vinden ? Zal die man dan niet weer opnieuw vertrokken zijn naar een andere onbekende bestemming, waarheen hij hem niet zal kunnen volgen ?"

De vliegeniers hadden echter medelijden met den jongen en een van hen vroeg hem of hij gewond was, waarop Jan slechts antwoordde :

, „Ik heb alleen maar honger sedert gisterenmorgen

heb ik niets gegeten".

Sluiten