Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Langs een bliksemafleider.

Sedert Jan zoo gelukkig geweest was zich van zijn vijand te ontdoen, ging zijn leven in de fabriek weer gewoon zijn gang.

Het was zeker niet aangenaam, maar het was er tenminste rustig en kalm. Niemand had iets tegen hem dan dé vheger, men het hem op zijn gemak droomen, wanneer hij er tenminste voor zorgde, dat zijn taak goed gedaan werd.

Jan of liever Otto, daar dit de naam was, waaronder men hem kende, scheen geheel en al in beslag genomen te worden door de een of andere gedachte. Hij sprak zeer weinig met zijn kameraden en deze zeidén van hem :

„De kleine matroos is geen kwade jongen, maar je begrijpt niet, waarover hij altijd zit na te denken".

Het was inderdaad zoo. Dag en nacht zonder op te houden dacht de jongen aan de opdracht van Tolbach, die hij in de geheime afdeeling -van den groenen koffer gevonden had. Hij dacht aan niets anders, dan aan de grootsche daad, die hij geheel alleen wilde verrichten. En hij hoopte, dat hij dan naar Frankrijk terug zou kunnen gaan, trotsch op hetgeen hij voor zijn land gedaan bad.

De geleerde had hem aanwijzingen gegeven, hoe hij zijn verblijf in Duitschland door een ongekend schitterende daad zou kunnen beëindigen.

Het beste van alles, dat hij echter voor Jan gedaan had, was, dat hij ook aangeduid had, hoe hij haar Frankrijk

Sluiten